Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(12) Soms is de wereld heel raar, je ziet dingen die je eerst niet zag maar er toch echt zijn, of je hoort iets en je denkt hé nog nooit gehoord maar nu wel. Neem bijvoorbeeld een zwarte Autolimo – je verwacht niet direct dat de ramen spiegels zijn, zodat je niet naar binnen kunt kijken (of nou ja, je kunt wel naar binnen kijken, maar dan zie je dus alleen jezelf, en alles heel de wereld alle omgeving om je heen, gewoon in dat raam, dat alleen maar spiegel is – de vraag is dan of je meer ziet dan je eerst altijd dacht te zien, waarschijnlijk wel, je ziet een soort tweede wereld: dezelfde nog een keer, maar stel dat je dan ook iets ziet wat je eerder niet zag, dan is die tweede wereld toch een beetje anders).
Jon en Silje kijken nieuwsgierig naar de Autolimo pal voor hun neus. Dit is best een vreemd exemplaar. Toen hij kwam aanrijden vanuit het donker van de lange lange heel lange echt heel lange laan, als een tunnel zo lang, toen was hij nog zwart. Maar nu het ding voor hen staat, zien ze eigenlijk alleen maar spiegel. Niet alleen de ramen zijn spiegels, alles spiegelt – alles spiegelt alles. De lichtval van een beetje maan zorgt ervoor dat ze de omtrek zo’n beetje kunnen onderscheiden. En nu de auto zo voor hen staat, verwachten ze dat er iets zal gebeuren. Dat er een deur opengaat of zo, of een raam, dat Eljis Nojack hen door het raam zal begroeten, maar er gebeurt niets. De auto staat er, en dat is nu dat. En ja zij staan er ook, Jon en Silje en Nemo, en ze kijken naar elkaar terwijl ze naar de auto kijken. Ze kijken naar elkaar, ze zien elkaars beeld in die spiegelende auto. Nemo kucht eens.
Eigenlijk durft niemand iets te zeggen. Het is een rare situatie. Het lijkt alsof ze op een foto zijn gezet. Zie ze daar nu staan. Een momentopname. De tijd wordt even bevroren. En ja brrr, het wordt nu ook wel erg koud. Silje zou wel willen instappen. Alles beter dan hier in de kou eeuwig te blijven staan.
Jon denkt haar te begrijpen en steekt een arm uit naar de auto. De Jon van de Spiegelauto steekt nu ook een arm uit. Jon schrikt ervan en laat zijn arm gauw weer zakken. Eén seconde later laat Jon van de Spiegelauto zijn arm ook zakken. Alsof hij er even over moest denken. Silje zegt: ik zie geen deuren, hoe kunnen we dan instappen? Dat komt natuurlijk door al dat gespiegel, dat je de deuren niet ziet, zegt Silje van de Spiegelauto, twee seconden later. Nemo kucht weer, maar nu met een echo. Het lijkt wel of hij drie keer kucht. K-ehuch, ke-huch, keh-uch… Toch weet alleen Nemo dat dat niet zo is. Jon zegt: weet je wat het is wat hier gebeurt en wat niet zo was maar nu toch zo is? Heel langzaam vertraagt de tijd, zegt Jon van de Spiegelauto even later. Het moet niet gekker worden zegt Jon tegen zichzelf in de spiegel. Als ik iets zeg, hoor ik het niet direct… Wie ben jij zegt hij tegen zichzelf. Jon van de Spiegelauto kijkt hem aan. Ik ben gewoon jij zoals jij moet zijn natuurlijk, maar met enige vertraging…
Jon kijkt naar Silje, hij zegt: Silje, als we instappen gaan we terug in de tijd. We gaan dus tijdreizen. Het klopt dat deze auto geen deuren heeft, want we gaan naar een tijd waarin nog geen auto’s bestonden. J-a, zegt Nemo, oo-m ien te s-tapp-en eb j-e d-e d-eu-ren n-iet n-odig, mm-aar d-e au-to WEL.. Ha, zegt Silje, nu begrijp ik het, deze auto-limo is een soort oer-auto, dus zo auto als auto maar kan zijn, alles gaat vanzélf, van-áúto zogezegd, als jullie begrijpen wat ik bedoel.
Jon knikt, en hij ziet dat Jon van de Spiegelauto even later ook knikt… Laten we nu maar instappen dan.
In de auto, die vanbinnen helemaal niet op een auto lijkt, eerder een soort ouderwetse koets, met zachte kussens en allemaal mahoniehout en zo, gaan ze nu eindelijk op weg. Het bos laten ze achter zich, en ze kijken nog even door het achterraam, dat eigenlijk helemaal geen raam is – doordat ze wegzakken in die heerlijke kussens zien ze nu pas dat de koets veel groter is dan ze dachten, achter hen zijn ook zitplaatsen en daar weer achter waarschijnlijk ook, en daar weer achter.. Terwijl ze achterom kijken zien ze nog wel iemand in de verte zwaaien, dat is Nemo. Snel zwaaien ze terug, maar terwijl ze zwaaien merken ze dat ze andere kleren aan hebben, kleren met pofmouwen, een soort groenblauw van kleur, met hier en daar een rafeltje..
Waar ze nu rijden is het bos niet meer dan een vervagende streep in de verte, en ze horen de zee, de branding van de zee! Langs de weg zien ze een bord waarop staat: Welkom in de 14e EEUW. Toen bestond de boekdrukkunst nog niet eens!

















