Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.
(6a) Met een ruk zit Jon rechtop in zijn bed, hijgend kijkt hij om zich heen. Hij is nog helemaal klam van het zweet. Wat een droom zeg, pfff, echt zo eentje waar je van bij moet komen. En wat hoort hij toch? Wat heeft hem zou zo plotseling wakker gemaakt? Trrrrrrriiiiiiinggg…. Het is de deurbel, of toch niet? Zo klinkt onze deurbel toch helemaal niet? Het geluid wordt steeds hoger en hoger. En dan wordt het stil. Jon schudt de slaap uit zijn kop en spoort zichzelf aan te gaan kijken bij de deur. Gauw trekt hij een trui over zijn hoofd en balancerend op een been probeert hij zijn broek aan te trekken. Hij valt toch om, omdat hij al hinkend gelijk naar de trap probeerde te gaan. Au, zijn schouder doet zeer van de klap tegen de deurpost. Dan ineens hoort hij het geroffel van vuisten tegen de deur en hij denkt ‘tjonge, wie is dat joh, zo vroeg, balen dat pa al weg is’.
Maar als hij eenmaal goed en wel bij de deur is aangekomen en de deur opent ziet hij niemand. Hij kijkt nog eens goed, hij kijkt de straat in, eerst de ene kant, dan de andere kant. Dan haalt hij zijn schouders op en doet de deur weer dicht. Hij kruipt niet meer terug in bed, hij is nou toch al wakker. Hij loopt de keuken in, zet een kop thee en smeert een boterham. Al kauwend loopt hij naar de woonkamer en ploft op de bank. Na een poosje veert hij ineens op van de bank. Silje!… Zou het Silje geweest zijn die zo aan de bel rinkelde en op de deur bonsde? Op de een of andere gekke manier is hij daar ineens zo helemaal van overtuigd.
Jon rent naar de gang, doet gauw z’n schoenen en z’n jas aan en gaat naar buiten. Eerst rent hij naar Siljes huis. Hij verzamelt wat kleine steentjes en na stiekem de achtertuin in geslopen te zijn gooit hij de kleine steentjes een voor een tegen Siljes slaapkamerraam, in de hoop dat wel Silje, maar niet Siljes moeder wakker wordt. Hij gooit en gooit… maar geen reactie. Hij probeert voorzichtig naar binnen te gluren op de benedenverdieping, niemand… zelfs Ole ziet hij niet. Dan weet Jon het zeker, ze is teruggegaan naar Nemo’s bibliotheek! Oeioeioei waarom werd hij nou niet op tijd wakker? Waarom was Silje zo ongeduldig, ze weet toch dat hij niet zo makkelijk wakker te krijgen is?
Jon sprint gauw de straat weer in, op zoek naar de juiste deur. Maar hij vindt hem niet, hoe kan dat nou. Hijgend blijft Jon staan. Deur, deur, die ene extra deur, die je soms wel en soms weer niet ziet… waar ben je toch? Daar! Een opening! Maar de deur gaat bijna dicht! Hij moet rennen zoals hij nog nooit gerend heeft, z’n longen scheuren bijna uit z’n lijf, zo hard gaat hij. En met benen die zichzelf bijna voorbij lijken te rennen kan Jon nog net langs de sluitende deur springen.
En met die laatste sprong belandt hij in een enorme chaos van armen, benen, een paar poten, gegil en geblaf… Happend naar adem blijft hij liggen. Waar is hij?
Het gegrom en geblaf gaat over in een kwispelende staart en een natte tong over zijn gezicht. Ole! En Silje, ben jij daar ook? Jon! Waar was je nou? Waarom werd je niet wakker? Pfff, ja sorry hoor, ik was nogal ver in dromenland zeg maar. Maar waar zijn we? Dit is toch niet Nemo’s bibliotheek?
Nee, Jon, ik snap er ook niks van, het is allemaal zo anders dan de vorige keer. Ik was al blij dat Ole bij me was, maar nu ben ik helemaal blij dat jij er ook weer bent. Ik had een droom vannacht, over ons avontuur en het ging verder, met een nieuwe deur en… en… en… ik moest gewoon weer kijken, Jon. En ik wilde dat je meeging, maar je werd maar niet wakker…
Ja, ja, ho, ho, rustig maar… ik wil ook graag verder met ons avontuur, toen ik eenmaal wakker werd wist ik gewoon dat je op pad was gegaan. Maar nu? Hoe nu verder? Waar zijn we?
Ze kijken samen eens rond, het lijkt wel een grote hal ofzo, op de vloer liggen glanzende tegels en aan de muur hangt een gigantische spiegel en er staan verschillende grote drakenplanten. Als ze verder kijken zien ze het begin van een enorme wenteltrap. Ole drentelt voor de trap, zet vast een pootje op de trap, en kijkt dan achterom naar Silje en Jon. Nee, Ole, wacht! Roept Silje nog. Maar Ole beklimt met grote sprongen de trap. Jon, nog maar net op adem gekomen, en Silje rennen er achteraan, zo hard als ze kunnen…

















