Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(44) Ja beste hertogin, of ik bedoel: Beste hertogin (zonder ja, want dit is een aanhef, en een aanhef begint niet met ja, nee toch? nee niet met ja, zonder ja, dus ik begin even overnieuw – of.., o wacht, ik was al opnieuw begonnen, ik schreef al beste hertogin, omdat ik mijzelf meteen al corrigeerde (vaak is dat ook het beste, wanneer je ziet dat iets niet klopt, direct ingrijpen dan, want ingrijpen moet je toch, vroeg of laat, het kan niet zo zijn dat zoiets zomaar ongemoeid wordt gelaten, dat zou wat zijn zeg, dan denkt iedereen: ach laat maar – maar als iedereen dat gaat denken, waar blijven we dan, dan kan alles zo maar gezegd of geschreven worden (dat lijkt leuk, maar dat is het natuurlijk niet echt, dan wordt er zomaar wat geschreven en hoeft niemand nog na te denken wat er nu precies wordt geschreven, of waarom – dan maakt het allemaal niet meer uit, maar als het allemaal niet meer uitmaakt, wat maakt dit dan nog uit, dan maakt ook dit niets meer uit, en zou ik kunnen schrijven wat ik maar wil, als het toch allemaal niet uitmaakt, maar dat doe ik niet, ik ga niet zomaar wat schrijven, ik wil wel dat je dit blijft lezen, en dat misschien ook ik weet niet wie zal denken dit wil ik lezen (die mensen zijn er zeker, die kijken er naar uit, elke dinsdag, elke vrijdag, elke aflevering van deze feuilleton, je wilt er niet een van missen, je wilt gewoon weten hoe het verdergaat, het verhaal, het verhaal over Jon en Silje, over Noordrijk en Zuidrijk, stel je toch voor dat ze vanuit het Noordrijk na een allerkortste tussenstop in het Zuidrijk terechtkomen, daar waar een wirwar van wegen is, daar waar niettemin één het overzicht houdt, of meent te houden, dat is natuurlijk alleen de hertogin, dezelfde aan wie deze brief geschreven wordt, door de hertog, maar de hertog is nog maar net aan zijn brief begonnen, hij heeft alleen nog maar geschreven: Ja beste hertogin, of ik bedoel: Beste hertogin (zonder ja, want dit is een aanhef, en een aanhef begint niet met ja, nee toch? nee niet met ja, zonder ja, dus ik begin even overnieuw – of.., o wacht, ik was al opnieuw begonnen, ik schreef al beste hertogin, omdat ik mijzelf meteen al corrigeerde…))))
Ja, daarmee heb je wel een punt. Jon en Silje zijn nog niet in je Zuidrijk geweest, en wat denk je: zou het kunnen? Kun je ze hebben? Je weet dat ze geheid op zoek gaan naar dat boek van ze, maar je weet dat ze het daar nooit zullen vinden, want ze kennen er heg noch steg. Wat misschien zou kunnen, is dat jij ze de weg wijst. Maar ik heb begrepen dat je dat niet haalbaar acht, omdat je geneigd bent je in ik weet niet welke avonturen te storten zonder achterom te kijken – als je achterom zou kijken, zou je denken ook dat avontuur was een echt avontuur en had ik maar, maar nee, zoveel wegen zoveel kruisingen zoveel keuzen zoveel niet links maar rechts zoveel toch rechtdoor en niet terug. Mja, ik denk dat je gelijk hebt. Ik denk dat het dan zo zal zijn dat niet alleen Jon en Silje de weg compleet kwijtraken, maar dat we ook Jon en Silje compleet kwijtraken – en wat dan? Dan is het verhaal uit. Dan is het boek klaar. Dan kan het boek worden gevonden. Dan ligt het ineens voor onze neus. Een dik pak papier. Moeten we gaan denken aan een mooie omslag. Moet er een pakkende titel komen. Een die heel die lading dekt. Nou eerlijk gezegd, lijkt me dat ook niet haalbaar. Tenminste nu nog niet.
Dus ja, we hebben weinig keus. Prijs je gelukkig, als hertogin van het Zuidrijk, voor één keer heb je weinig keus. Duidelijk is dat we kunnen kiezen uit twee. Óf Jon en Silje blijven waar ze zijn, dat wil zeggen in Oslo, óf ze komen toch naar het Zuidrijk. Ik heb je al duidelijk willen maken dat dit laatste mij geen optie lijkt. Ik meen te begrijpen dat jij me dat ook al wilde zeggen. Als dat zo is, dan begrijpen we elkaar, zoals altijd. En dus, mijn beste hertogin, ik stel me zo voor dat Jon en Silje al lang weten wat ze willen. Dat is dat boek opsporen. En wel daar waar het domweg te vinden moet zijn. In Oslo. Maar dan wel een Oslo waar alle deuren openstaan (of gaan), waar je welkom bent, waar je kunt gaan en staan waar je maar wilt. Wil je naar het Noordrijk, dan kan dat. Wil je naar het Zuidrijk, dan kan dat ook. En kijk, wat ze doen! Als allerechtste detectives steken ze de speurneuzen dicht bij elkaar, en ze fluisteren iets. Stil even.. Ja, het is door ons nog net te verstaan, ze fluisteren allebei, precies tegelijk (maar dan ook precíes tegelijk): Zullen we?
En dus Judith! Neem van mij aan! Ze komen eraan! Toch! Ze komen je kant op! Ik weet niet welke! Maar echt jouw kant! En ja hoor, ze zijn er al, ze staan onder de Eiffeltoren.

















