Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(42) Jon denkt dat hij droomt, maar hij droomt niet. Er is een kind dat hem bij haar moeder brengt. Dag mevrouw, zegt hij, wat bijzonder dat wij elkaar weer tegenkomen, wij zagen elkaar in Leiden, in het theater, dat was u toch precies? Ja zegt de vrouw, mijn dochtertje herkende u en ik ook, ik herkende u ook. Maar dat u in zo korte tijd zoveel ouder bent geworden! Toen had u nog geen stok nodig en u had nog zo’n leuke bos met haar. Ja, knikt Jon, dat komt door de zon, zegt hij. Deze stok is niet mijn stok hoor, die hoort bij de parasol, u weet wel, die van de bushalte, maar ik dacht ik weet hier heg noch steg dus laat deze stok mij dan de weg wijzen. Het was een verklaring die hem zo uit de mond rolde, maar hij begreep zelf niet wat er aan de hand was, wat die stok in zijn hand deed. Aan de ene hand een kind en aan de andere hand een stok. En wat ze zei over zijn haar, hij liet het maar zo. Hij vond die gele grote bril die ze droeg wel leuk, maar blijkbaar zag ze iets anders dan er werkelijk te zien was. Hij voelde eens op zijn hoofd. Hij schrok. Hij voelde geen haar, hij droeg een hoge hoed. En de hoed zat hem zo strak op het hoofd, die kon hij beslist niet zomaar even afzetten. Dacht ze misschien daarom? – Maar wij herkenden u wel hoor, zegt ze. Ja, knikt het meisje. Nou ik u ook zegt hij. Daar mankeert het niet aan. En jou ook, zegt hij. Maar als ik vragen mag: heeft dit Noordrijk voor zover u weet een bestemming? – Een bestémming?, vraagt het meisje. Is dat iets engs? Nee hoor, zegt haar moeder, ik heb er weleens over gehoord, maar volgens mij hebben we die hier niet. Zou u dat graag willen dan? Jon trekt eens aan zijn baard. En terwijl hij aan zijn baard trekt, denkt hij: had ik die wel, deze? Sinds wanneer eigenlijk? Ik heb er eigenlijk helemaal nooit meer aan gedacht, maar voor zover ik kan terugdenken ik kan me niet heugen dat ik.. een baard? Zo één met de lengte van Thomas? Hij zegt: ik heb nog een vraag, kent u misschien broeder Thomas? Jaja, zegt het meisje, broeder Thomas! Hij is onze ezel, hij is de liefste, hij is de oudste van alle dieren, en hij is de enige ezel die kan praten, en mijn moeder zegt dat hij ook de laatste is, alle andere ezels kunnen alleen nog maar balken, dat zegt mijn juf ook – maar broeder Thomas, o zeker!
Aha, zegt Jon, maar dan kennen jullie natuurlijk ook Allan Karlsson?! Jaja, zegt de vrouw, maar natuurlijk, hij is nu al 101, hij heette altijd ‘de honderdjarige man’, u weet wel, die uit het raam klom en verdween, maar hij kwam weer terug om de wereld te redden, en daarover gaat dat tweede boek over hem, precies met die titel. Ik weet het, zegt Jon. Maar hij woont dus nu hier? Hebt u misschien zijn adres voor mij? De vrouw kijkt even omhoog, alsof ze al luisterend naar de hemel het precieze adres zou kunnen noemen. Vreemd genoeg is haar bril niet langer geel, maar oranje. Jon vindt dat niet erg, want oranje vindt hij ook een mooie kleur. Ik weet het niet helemaal zeker, zegt ze, ik ken hem niet persoonlijk, maar volgens mij woont hij rechtdoor en dan achter de bomen langs totdat je komt waar zo ongeveer de wereld lijkt op te houden, ik bedoel natuurlijk het strand, het is daar waar geen duinen zijn, het is daar waar de zee ons land eerbiedigt, de landgrens, daar waar ooit scheiding werd gemaakt tussen de zee en het droge, precies daar staat zijn huis volgens mij, en ik heb weleens begrepen dat het een huis is zonder deur, want er is een garage onder, voor een prachtige Autolimo, en de toegang is via een soort tunnelbuis of zo. Aha, zegt Jon, dat weet u zeker? Nou ja, zeker, zeker, zo heel veel zeker weten we niet in het leven, is het wel? Jon lacht. Maar dat van die Autolimo? O ja, dat zeker! Die is hier de mooiste van heel dit Noordrijk!
Ik zou hem graag willen spreken, zegt Jon. Ziet u, ik heb hem ooit eerder ontmoet. Hij heeft mij toen prima op weg geholpen. Ja, zegt de vrouw, dat is dan ook meteen wel het belangrijkste in het leven hé! Als er niemand is die ons op weg helpt dan heb je simpelweg géén weg, lacht ze. Jon knikt bedachtzaam. Hij zegt, maar voor ik hem naar hem toega, heb ik nóg een vraag. Het meisje begint schaterend te lachen. Ze zegt: u blijft maar vragen stellen! Wat ik altijd doe is eerst mijn vragen in mijn hoofd zetten en dan zeg ik: mama, ik heb drie vragen, of als ik vier vragen heb, dan zeg ik: ik heb vier vragen, maar ik zeg noooooit: ik heb nóg een vraag, ik heb nóg een vraag, ik heb nóg.., en ze begint helemaal te hikken van het lachen, en haar moeder begint nu ook steeds harder te lachen, te schuddebuiken gewoon, en Jon, hij ontdooit helemaal, hij gooit zijn hoed af, de lucht in, vangt hem weer op, en nog een keer, en nog een keer, en hij hikt ook: ik eb nóg e vraag, ik eb nóg e vraag, en de tranen van het lachen lopen hem over de wangen. Het is een vrolijk drietal. Een en al vrolijkheid is het. Na de laatste hikken zegt de vrouw: kijk, daar wordt u weer jong van, u zag er zo zorgelijk uit, nu bent u weer helemaal die aardige man uit het theater, en die stok van u die is natuurlijk helemaal niet van u, die is van die hond die er nu aan komt rennen. Geblaf, geblaf. O, zegt Jon, ik dacht al, waar komt nu ineens die stok vandaan, en hij gooit de stok terug richting duinen. Geblaf, geblaf, de hond verdwijnt ermee.
Maar nu toch nog mijn vraag, zegt Jon (op het gevaar af dat de slappe lach weer al zijn gevraag ongedaan zal maken), wat ik nog wil vragen dan toch: kent u Silje ook?
De vrouw lacht, ze zegt: dat ben ik!

















