Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(5) Jon begint een liedje te fluiten, en omdat het zo stil is lijkt het het enige geluid dat tot in de wijde omtrek gehoord kan worden. Het is ook niet zomaar een liedje, het is het liedje van alle liedjes in Noorwegen dat iedereen kent, omdat Oslo niet ver is, of omdat we nog steeds in Oslo zijn: op een bepaalde manier zijn Jon en Silje met Nemo ver van huis, maar op een andere manier zijn ze dichter bij huis dan ooit, dat komt door het liedje dat iedereen kent, en dat nu fluitend de ronde doet, en het is onweerstaanbaar, als dit liedje zo fluit of gefloten wordt, moet je het wel zingen. Het is zo’n liedje dat tussen je oren zit en als het fluiten je bereikt, gaat het zingen. Het is niet zoals het volkslied hoor, zo zwaar plechtig dat je steeds maar hoopt dat je al aan de laatste regel toe bent, nee zo is het helemaal niet, het is eigenlijk een liedje van niks – maar wee je oren als het dus gefloten wordt, zoals nu door Jon. Silje en Nemo beginnen te zingen. Ze vormen geen duo maar een duet, ze kijken elkaar in de ogen en precies tegelijk klinken de woorden, alsof ze nog even geoefend hebben. Jon kijkt naar hen, of niet naar hen, maar net náást hen. Als je zo kijkt (net er naast, zoals wanneer je naar de zon kijkt, omdat je niet naar de zon kunt kijken om de zon te zien – zo verblindend de zon altijd is om zichzelf maar niet te laten zien, en dus moet je ernaast kijken, ja er zijn eigenlijk twee zonnen als je kijkt zoals iedereen kijkt, als je niet zo dom bent in de zon te willen kijken), wat je dan ziet is de zon naast de zon, dus die waarnaar je kijkt, en je wéét: naast die zon die andere, die dezelfde is, maar per twee. 

En zo lopen Silje en Nemo daar dus te zingen, op het gefluit van Jon. Silje zingt wat Nemo zingt en wat ze doen is zingen, per twee. Ze zijn niet verschillend, ze lijken op elkaar als twee druppels water, toch draagt alleen Nemo de kerstmuts nog, een beetje gerafeld, door het verstrijken van de tijd. Doordat ze samen zingen danst de muts van de een naar de ander, en weer terug. De muts lijkt nu helemaal geen kerstmuts meer! Gewoon een feestmuts is het! Het is een muts voor samen, en als het liedje uit is, kan de muts wel weg. (In een broekzak of een onzichtbare vogel pikt de muts mee. Als het een zangvogel is weet hij er wel raad mee.)

Wat ze zingen is het liedje dat heet ‘Het kleine liedje’. Vanaf nu wordt het een liedje dat iedereen zal kennen. Niet zoals het volkslied, maar geboren tussen de oren. Het is een liedje van niks en daarom gemakkelijk te onthouden. Je kunt er alle woorden van overslaan behalve de laatste. Die laatste ga je onthouden, die gaan nooit meer weg. En als je dan iemand het liedje hoort fluiten, ga je zingen. Wat je ook even moet onthouden: het liedje wordt alleen gefloten (of gaat fluiten) als er belangrijke dingen moeten gaan gebeuren. Het is een liedje dat je de weg wijst. 

Jon begint het liedje te fluiten, en Silje en Nemo gaan het liedje zingen. En wat ze fluiten en zingen (want het zingt natuurlijk ook in Jon en fluiten doet het tussen alle beschikbare oren), is ‘het kleine liedje’: Het kleine liedje/ het past niet in regels,/ het kleine liedje/ het heeft geen lengte zoals dit. Het is het kleine liedje,/ een liedje dat zo klein is,/ het is bijna niks. Het liedje heeft genoeg aan dit:/ zing mij of zing mij niet,/ ik zing voor jou mijn liedje.

Jon stopt met fluiten. De stilte om hen heen is stiller dan ooit. Nemo pinkt een traan weg, hij zegt: Z-o pr-ecies op d-e tijd d-it, z-o zin-gen l-aat me-ij spr-eken m-et me-ijzelf spr-ekend z-oals j-ullie. En n-u z-ijn d-e h-ertog en h-ertogin o-p de h-oogte v-an on-ze komst, h-et kl-eine l-iedje is d-e co-de.

Als wakkergeschud kijkt Jon naar het bos, het donker is niet zomaar donker, het is het donker dat bij de avond hoort en dat een hele nacht duurt. Hij zegt: Silje, ze wachten op ons! Kijk zo donker, het is al 6 uur en etenstijd. We moeten naar huis! Nemo, weet jij hoe?! Nemo zegt: dr-aai j-e om. 

Als op een draaischijf zo tegelijk draaien Jon en Silje zich om. Ze staan weer in hun straat, de vader van Jon staat al in de deur te wenken, en de moeder van Silje, zo’n drie of vier huizen verderop, roept iets: eee-ten! Vlug kijken Jon en Silje nog even achterom: tussen twee bomen zien ze een deur, of eigenlijk de opening van een deur. In de opening staat Nemo, hij zwaait. Ze zwaaien terug, en ze roepen zonder woorden: we komen zo snel mogelijk terug! Het zijn woorden die hier te lezen zijn, maar daar echt in de lucht hingen. Nemo las ze ook. Hij zou ze opschrijven in het boek. In Nemo’s bibliotheek staan al zulke woorden opgeschreven. Hij wist dat ze de volgende keer niet alleen hem maar ook haar, zouden vragen met hen mee naar huis te gaan, naar de vader van Jon en de moeder van Silje. En dat zou hij doen. Hij naar de vader en zij naar de moeder.