Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(41) Silje is verdwaald. Wat er precies gebeurd is, is niet zomaar te achterhalen. Wat ze er nog van weet of nog van kan begrijpen of nog van probeert te begrijpen of nog met de moed der wanhoop probeert te begrijpen, is dat ze samen met Jon de bus naar Noordwijk instapte en terwijl zij door de deur instapte, leek het wel of Jon door de deur uitstapte, of andersom: dat zij uitstapte en hij instapte. Ze weet dat ze aan de chauffeur vroegen: Deze bus gaat dus naar Noordwijk en dat hij nee schudde, dat hij zei: nee, er is een Noordrijk en er is Noordwijk, deze gaat naar wat Noordrijk genoemd wordt en eigenlijk die naam altijd heeft gehad, maar daar gaan we dus heen. De deur ging dicht en naast de deur ging er een andere deur open, waardoor Jon naar buiten stapte, of was het dus andersom? Dat zij door die deur uitstapte, terwijl Jon naar binnen stapte, maar ze waren toch al binnen? In de bus? Terwijl ze de chauffeur vroegen? De bus reed weg en Silje keek hem achterop. Wat ze nog zag was dat de bus leeg was. Dat begreep ze niet. Minstens Jon zou toch een van de inzittenden moeten zijn. Maar de inzittenden zag ze niet en Jon dus ook niet. Misschien dat hij juist op dat moment even zijn schoenveters moest strikken, maar dat zou zij nooit op dat moment doen. Als er bij haar geschoenveterd moet worden, dan niet op een moment van wegrijden. Toch was er echt niemand te zien in die bus. Behalve de chauffeur dan. Hij zwaaide nog.
Dus Silje is niet echt verdwaald, maar wel in haar gedachten. Het is er een chaos. Ze schiet alle kanten op, om steeds weer op hetzelfde punt uit te komen: ze is alleen, en Jon is in- of uitgestapt, in ieder geval is zij niet ingestapt, dat begrijpt ze nu ook wel. Maar hij dus wel? Ze ziet het steeds weer gebeuren: de deur ging dicht en naast de deur, echt zo naast de deur, zo naast de deur als naast de deur maar zijn kan, daar precies ging er dus een andere deur open en ze ziet zichzelf weer uitstappen, of instappen, want als je ziet wat je doet, doe je eigenlijk wat je ziet. Wie naar binnen gaat, stapt door die andere deur naar buiten. En omgekeerd ook: ga je naar buiten dan ga je naar binnen, door die andere deur. Of was het maar een spiegeling, de spiegeling van die klapdeur?
Maar vraag is dus waar Jon is. In ieder geval niet hier, dit is Leiden. Ze voelt tikken op haar schouder. Ze draait zich om. Niemand. Ze voelde toch echt tikken! Nu weer dat tikken.. Weer draait ze zich om. Nu bliksemsnel. Er is niemand. Hoewel.. Ze zag iets.. Verdwijnende contouren.. van iemand.. Wat is dit? Ze hoort een stem. D-oe geheen moe-oeite, w-ant je kehunt me niet z-ien, m-ahar ihik hoop dat je m’n st-em w-el her-kent.. Hé?! Nemo! Ben jij dat?! Ja-ha ze-ker, ihik h-eb me on-zihicht gem-aakt, m-ahar ihik b-en et ja. Silje kijkt waar de stem vandaan komt. Ze zegt: maar waarom?! H-et is hi-hier te ge-vaar-luk v-oor mij.. Gevaarlijk?! Voor mij ook?! M-isschien.
Op dat moment scheert een grote vogel rakelings over haar hoofd. Ze duikt weg. En begint te rennen. Ze weet wat haar te doen staat. Nu moet ze zo snel mogelijk het adres zien te bereiken dat in Leiden wel geregistreerd staat, maar onvindbaar is gemaakt, dat wil zeggen: het adres is er nog wel, maar de deur naar dat adres is er niet – behalve dan, als je heel goed kijkt, als je weet wat staren is, staren naar een deur, precies zo goed kijken dat weliswaar de deur niet terugkomt, maar de opening wel, zodat je dan toch naar binnen kan.
Ze weet waar ze moet zijn, in welke straat. Het is de straat achter de Schouwburg. Ze duikt de hoek om, rent die straat in en kijkt gejaagd de huizen langs. Ja! Ze ziet het adres, het huis! Het is het enige huis zonder deur. Het lijkt of het huis achterstevoren is gebouwd, dus met de achterkant aan de straatkant. Maar op de plek waar een deur zou moeten zitten, zit in ieder geval geen deur. En daar moet ze dus naar binnen. Achter een geparkeerde auto weggedoken kijkt ze naar de plek waar een deur zou moeten zijn. Zou het kloppen? Dit adres? Ja ja ja! Ze ziet langzaam de opening van de deur tevoorschijn komen. Ze trekt een sprintje, en ze staat binnen.
Hijgend en puffend kijkt ze om zich heen. Ze zal toch wel goed onthouden hebben wat haar is gezegd? ‘Eenmaal binnen, sluit de deur achter je, neem in de hal de wenteltrap, maar doe eerst wel je schoenen uit. Maak geen geluid. Maar ga wel zo snel mogelijk via de trap naar de bovenste verdieping. De trap laat zich maar één keer gebruiken. Zodra je een trede bent gepasseerd, zal die in de muur schuiven, zodat het lijkt alsof er nooit zoiets als een trap is geweest.’ Silje haalt diep adem. Oké zegt ze, doe het voor Jon. Ze rukt haar schoenen uit, gooit die met een geoefende zwaai in de container die naast de geparkeerde auto staat alsof het zo moet zijn, als een schoenenverzamelpunt – en doet dan de deur dicht.
Op slag wordt het helemaal donker. Op de tast en schuifelend vindt ze de eerste trede van de trap, en zo snel ze kan draait ze via de trap naar boven, waar een vaag licht schijnt. De klim duurt zo’n tien op longen aanslag plegende minuten, maar dan is ze er.
Er flitst een groot scherm aan. Op het scherm een statig maar leeg bureau, op de rechterhoek van het bureau een ranke vaas met daarin een rode roos. En achter het bureau neemt iemand plaats, met de rug naar haar toe. Op een draaistoel blijkbaar, want nu verschijnt de persoon langzaam in haar gezichtsveld. Daar bent u! zegt ze. Vriendelijk knikken. Jazeker, aangenaam, ik ben blij je weer te zien. Hertog Leendert kucht even. Wel jammer, dat ik je nu alleen zo kan ontmoeten.

















