Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(29) Allan knikt maar eens. Hij kent het verhaal wel. Jaja, zegt hij. Daar heb ik over gelezen, een hertog en een hertogin en zo. En jullie kennen dat verhaal dus ook. Het is een mooi verhaal, maar als je 100 jaar bent, zoals ik, dan geloof je niet alles meer, dan heb je al zoveel verhalen gehoord dat je denkt wanneer heb ik dit eerder gehoord, op den duur gaan alle verhalen op elkaar lijken en hou je eigenlijk maar één verhaal over, één groot verhaal… En dat is het verhaal anno nu, dat is het verhaal dat niet meer in onze hoofden zit, of zo u wilt in onze harten, maar dat hier op papier staat. – Op datzelfde moment trok hij een la van het aanwezige grote kantoorbureau open en pakte er een groot boek uit. Heer hertog en vrouwe hertogin, zijn gesprekspartners toch, en voor even zijn gasten, begonnen tegelijk te lachen, te schaterlachen zelfs, en het werd echt een lachbui van allebei, ze konden niet meer stoppen, zoveel lach als een waterval daar losbrak, echt een hahahahahahahahahahahaha, en nog veel meer daarvan, af en toe afgewisseld met hihaho hihaho hihaho, of hihihihi of hohoho, zo’n slappe lach die niet meer te stuiten is, waarbij mensen van hun stoel vallen, elkaar vastgrijpen, tranen wegspringen en de gezichten in vreemdste grimassen trekken, en het maar doorgaat, dat lachen. Dit had Allan niet verwacht. Hij heeft in zijn lange leven en overleven al heel veel meegemaakt, maar dit niet. Maar daarom was het voor hem ook des te aanstekelijker, en voor hij het wist zat hij niet alleen mee te lachen, maar werkelijk te búlderen van het lachen: HAHAHAHAHAHAHA, en als de anderen overgingen op hihaho hij óók, maar dan zo: HIHAHO. Grote vraag hierbij is natuurlijk waarom er daar op dat moment nu zo ineens zoveel gelachen moest worden. We kunnen het niet vragen, of we zouden het wel kunnen vragen, maar ze zullen ons niet horen. Want wie zo moet lachen kan eigenlijk niet meer luisteren. En door al die tranen kun je dan zelfs niet meer lézen. Dus ook als we zouden willen proberen via dit opengeslagen boek hen te bereiken, zal dit niet lukken. Het is wel gelukkig dat Allan ons nu tevoorschijn heeft gehaald (met ons bedoelen we al deze bladzijden), maar zonder lezers op dit moment zijn wij geheel overbodig. Kunnen deze bladzijden zich misschien maar weer beter opvouwen. Hahaha dat zou ook een grap zijn. Kan er eindelijk gelezen worden hoe Het verhaal per volgende bladzijde verdergaat, rollen er stoelen om, wordt er gesnikt, gaat lachen over in gieren, en heeft het geen enkele zin meer (en daarom zal iedereen later gaan zeggen ‘dat heeft toch geen enkele zin’, zo letterlijk dus, zinloze zinnen zijn verstoken van zin, hoeveel zinnen er ook op zinnen zinnen te blijven), maar geen enkele dus, en als toch iemand dit zou gaan lezen, na al het lachen van tegenwoordig, al het onbedaarlijk lachen, van puur geluk, van ongekende vreugde, van gekke blijdschap, om het leven zelf, om de dingen om ons heen, om het voor en het na, om het links en het rechts, om wat je niet alleen boven het hoofd hangt maar je ook boven de pet gaat, wat zich een weg graaft onderlangs natuurlijk, om weg te zijn, om óp te weg te zijn, om al die dingen dus, dan zou het zomaar kunnen dat de hertog en hertogin hun maskers afleggen en dat ook Allan zijn masker afdoet, en zie daar: tot bedaren gekomen, en nog een beetje nahikkend, komen ze daar weer tot verstaan van elkaar en zitten tegenover elkaar: Jon en Silje én… Thomas. 

En Thomas hoeft niet te vragen wie zijn jullie, want hij kent ze. Ook Jon en Silje hoeven niet te vragen wie ben jij, want ze weten wie hij moet zijn. En daarom vragen ze niet, maar roepen ze tegelijkertijd: GEVONDEN! – Ah jullie óók, zochten jullie ook?! zegt Thomas. Ja NATUURLIJK, zeggen Jon en Silje tegelijk, zo lange tijd vermist en zo helemaal nergens te vinden, maar nu dan toch! Ach ja, zegt Thomas, ik had al zo’n vermoeden. Maar weten jullie wat het is: jullie zouden blijven zoeken, ook als de beste detectives ever, als het niet zo zou zijn dat ik júllie zocht. Maar echt.., zeggen Jon en Sije, nog tranen wegvegend, we waren zo serieus bezig, en nu met een lach en traan wordt alles opgelost! 

Toch is het boek nog lang niet uit. De deur gaat open. Petronilla stapt binnen. Ze zegt: ik heb uw hulp nodig, er is haast bij. Er is een uitvinding gedaan, een die de wereld voorgoed zal veranderen. Het ding heeft een schijf en twee sprieten, het wordt een ‘klok’ genoemd, een apparaat dat de tijd vooruit tikt, continu – de wereld zal doldraaien, als de wereld niet meer alleen om eigen as mag draaien, maar alles zal draaien om tijd en nog eens tijd, de mensen alleen nog maar zullen denken in tijd en nog eens tijd, ze daardoor altijd tijd tekort zullen komen, in ademnood zullen raken, hun tijd onvermijdelijk zullen zien wegtikken. Dit moet ongedaan worden gemaakt, en – kom maar binnen, wenkt ze naar deur – hier heb ik daarvoor onze ingenieur, hij is ingenieur van de ziel, en jullie kennen hem misschien nog. Door de deuropening stapt Ejlis Nojack binnen. Hij zegt: Goedendag, dat is lang geleden, weten jullie nog dat ik jullie ooit met mijn Autolimo wilde halen? En dat ik toen zei: alle tijd is heilig, en dat er toen een jaar was met 4 cijfers, 2022, die bij elkaar opgeteld 6 zijn, en 4 x 6 = 24, en dat er dus een 24-uurs economie zou zijn, maar welke, welke economos? We zijn nu al 30 jaar later. Nu is het meer dan tijd. De hond blaft. Laat Oslo niet ten ondergaan.