Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(28) Eenmaal door de deur gegaan is tweemaal door de deur gegaan, en tweemaal is de weg die voorligt één. Eenmaal is ook driemaal en viermaal, want verderop lopen Jon en Silje. De hertog en hertogin hebben maar te volgen, diezelfde weg te gaan. En aan het einde van de weg, na alle slingerbochten, als in een bewegend doolhof dat zich rimpelt als water, is er in de verte tegen de lucht een klooster getekend. Voor de witte poortdeuren staat een monnik op de uitkijk. Hij zwaait, hij wenkt. Hij lijkt ermee te zeggen: deze kant op, alsof er een andere kant op ook maar mogelijk zou zijn. Hij heeft zijn fiets tegen de muur geparkeerd. Of nee, het is geen fiets, het zijn afgedankte waterwielen tegen een wilde struik.

Eenmaal door de deur
gaan ze deze
weg, eenmaal, tweemaal
is driemaal en viermaal
en de weg is niet lang
en toch een beetje
eindeloos
Als niemand iets zegt,
laat hij iets zeggen dan,
of zij, maar ze
gaan zwijgend,
ademend
in
uit
En de wijde omgeving is wijder dan ooit, alsof de wereld zojuist geschapen is, met almachtige hand
Hij kijkt eens opzij,
zij glimlacht,
dat je zo snel er was,
zegt ze
Maar natuurlijk, zegt hij,
als dan eindelijk
hun boek..
O zeker,
ja, ze knikt – ze zegt: zowaar ik als hertogin mij Judith weet
en ik, zegt hij, mij vogelman,
vederlicht op het spoor van deze grens
van onze rijken,
hertog ten zuiden,
– hertogin ten noorden, zegt zij,
zo zeker is het
dat deze weg ons leidt tot bij het klooster daar, maar wat meer is, tot in het binnenste geheim van al wat geweten kan worden, geloofd, gehoopt, ja en ook geliefd
En kijk nu zijn we er.

Hertog Leendert en hertogin Judith staan voor de witte poortdeuren waarvoor eerst de monnik stond te zwaaien van wie ze wisten dat het Thomas moest zijn, Thomas Quartier. Maar hij stond er niet meer. En in de verste verte ook geen Jon of Silje.
Ze keken verbaasd naar de witte deuren. Zo fel wit zagen ze niet eerder. Witter dan het licht. Verblind keken ze er snel van weg en keken ze om zich heen. In de wijde omgeving was de wereld opgehouden te bestaan.
Er was hier alleen nog dit klooster, met deze witte deuren waar ze voor stonden. En ja, toch ook dit: voor de deur lag een boek als een doek uitgespreid, een doek dat het in zich had langzaam groter te worden. Het krulde zich nu al tegen hun voeten. En daar hield het niet op. Het trok zich onder hun voeten door en nog eens keken ze om zich heen, en heel de omgeving werd leesbaar, letterlijk: zinnen golfden zich met een sierlijkheid over het landschap zoals ze daar niet eerder over hadden kunnen dromen of het hadden kunnen bedenken. En wat ze lazen was hun verhaal. Het was heel die geschiedenis van a tot z die zich aan hen voltrokken had en die hen nu naar binnentrok, het klooster in, dwars door de deuren gingen ze, het witte licht was als witte rook of een dichte mist, en niets konden ze nog zien, en wat zich aan hen onthulde toen ze weer konden zien was een luxe kantoor uit een verre toekomstige tijd. Alsof ze tegelijkertijd uit een droom ontwaakten staarden ze naar een glazen deur, in spiegelschrift lazen ze woorden, letters ejliS ne noJ uaerubevitceted – met een rare duizeligheid, want de letters keerden zich om en om.

We zijn volgens mij in Oslo, zei de hertog. In Oslo, zei de hertogin. Zonder Thomas, zei de hertog. En zonder Jon en Silje, zei de hertogin. Het-kantoor-waarover-in-het-boek-geschreven-staat, zeiden ze allebei tegelijkertijd. Het detectivebureau Jon en Silje, zei iemand achter hen.