Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(26) Beste collega-Hertogin-Judith,
Daar dit een officieel schrijven is op duurzaam perkament en ik mijnerzijds mij mag verwaardigen uwe hoogheid met dit geschrevene te verzoeken met de hoogste aandacht de boodschap ervan tot u te nemen, wil ik u eerst hartelijk groeten – helaas niet met een groetenis van mijn hand, ik bedoel het joviale gebaar dat zo u weet in onze tijd in algemeen gebruik is geraakt, en dat met ‘zwaaien’ wordt omschreven, of ook wel met ‘wuiven’ – maar hartelijk groeten dan toch met deze woorden: het is mijn innigste wens dat het u en het Zuidrijk goed gaat. Hier in het Noordrijk is het een chaos, maar derhalve is uw welvaren voor mij een geruststellende gedachte, zo het u goed gaat gaat het mij ook in zekere zin goed, en wanneer het mij (meen ik bescheiden) goed gaat, komt dat ten goede aan het Noordrijk dat mij zo lief is, maar door allerlei wordt gekweld en soms gepijnigd. Ik vraag mij weleens af wat toch de oorzaak is van het feit dat van oude tijden af het Zuidrijk in zo’n bloeiende staat kan verkeren, terwijl het Noordrijk doorgaans een woestijnachtig bestaan moet volhouden. Een antwoord daarop zou kunnen zijn dat u nu eenmaal als hertogin van de zuidelijke contreien het bewind voert, en ik als hertog sinds mijn eigen heugenis beproevingen heb te doorstaan en dit zijn weerslag vindt. Zou dit inderdaad zo zijn, het zij zo. Het is de lucht die we in- en uitademen. Het is de cultuur die we aan de natuur onttrokken hebben, en hier is de schepping van bomen en rotsen volgens onze eigen Edda een schepping van goden die ons niet altijd (lees: bijna nooit) goedgezind zijn. U daarentegen leeft in het zuidelijk paradijs – een paradijs dat in de oudste tijden in het oosten gelokaliseerd werd, maar om redenen wellicht toen al ten zuiden gezocht moest worden (maar zoeken was het toen ook al, zelfs zo dat het compleet zoekraakte toen Adam en Eva allebei tegelijk de verkeerde kant op keken, namelijk naar de kant van de dorens en de distels, of ze ook daar niet terrein konden winnen, en nee, inderdaad, dat bleek een vergissing te zijn – niet in het minst door halsstarrig ontginnen van dat nieuwe gebied waardoor het toenmalige paradijs achter de horizon verdween).
Tot zover mijn aanvang van deze brief. Zo ons is geleerd volgt na de inleiding de aanleiding, en daar wil ik mij uiteraard aan houden. De aanleiding van mijn schrijven aan u – geloofd zij u als hertogin en geprezen de schoonheid van uw sinds bijbelse tijden oude naam Judith! – is het volgende: U zult zich herinneren ooit twee rebelse kinderen te hebben ontmoet in mijn aanwezigheid. De kinderen kwamen moedwillig per wenteltrap naar uw verblijf destijds in de Noordse streken, om precies te zijn toen u zich vermaakte in een onstuimig groeiende stad die al spoedig de naam Oslo kreeg (de betekenis van die naam ontging mij, maar er zal een goede reden voor geweest zijn). Het was in de tijd dat er sprake was van een boek dat in korte tijd veel bekendheid kreeg. Men sprak erover als zou het een nieuwe openbaring zijn. Het lag in ieders huis en naast ieders bed. Tot op de dag dat het geheimzinnig verdween. Alsof het nooit had bestaan. In een mum van tijd bloeide er een handeltje in zeldzame exemplaren op, maar nooit was er een origineel bij, altijd ging het om een kopie van een kopie, en dus niet geheel betrouwbaar – hoeveel voorwoorden er ook verschenen waarin werd bezworen dat het gebodene een getrouwe weergave was van de oorspronkelijke inhoud, ja dat de openbaring er niet minder op was geworden, misschien wel meer.
Tot zover de aanleiding van mijn schrijven. Zo ons is geleerd volgt na inleiding en aanleiding wat de briefschrijver op het hart heeft. Wat ik op mijn hart heb is het volgende; ten eerste: Per feuilleton is mij ter ore gekomen dat er een origineel gevonden is, en wel door een meisje dat Silje wordt genoemd. Naar mijn stellige overtuiging is zij diezelfde Silje die wij destijds in uw hoog vertrek te Oslo ontmoet hebben. U zult zich haar vast herinneren. Zij heette Silje en het andere kind, een jongen, liet zich Jon noemen – als ik mij niet vergis. Ook zij waren op zoek naar het boek, vooral ook omdat het hen direct zou betreffen. Hetgeen een hachelijk geloof is, ware het niet dat deze Silje dus inderdaad dat origineel gevonden lijkt te hebben. De feuilletonist verhaalde erover, en het betreffende fragment daarover heb ik bewaard (juist omdat het enigszins de inhoud openbaart, in letterlijke zin: als openbaring, precies zoals erover gesproken werd dat het dat zou zijn).
Hier geef ik dit fragment geheel getrouw weer, onder ede, met de hand op mijn hart: “[Het boek gaat] over een ridder die een moedige dame is, een madam, een domina, een heldin met de naam Petronilla – een die moediger is dan alle ridders sinds de Middeleeuwen. Deze ridder wil elke stad tot groene stad maken, en de bomen zijn haar bondgenoten. Deze ridder gaat de wereld vernieuwen, maar ze kan het niet alleen. Ze heeft heldhaftige handlangers nodig, criminelen die alleen dit op hun kerfstok hebben dat ze het geld van de rijken naar de armen sluizen, en ze bezoeken de machtigen zo met angstdromen dat die machtigen niet meer misbruik van hun macht durven maken. Silje leest dat deze ridder naar hen op zoek is. Dat deze ridder tevreden zou zijn met slechts één jongen of meisje zo moedig als zij.”
Na dit eerste heb ik ook een tweede op mijn hart. Dat is het volgende: Mij kwam zojuist ter ore dat genoemde Jon en Silje onlangs in mijn rijk zijn gesignaleerd en bijna tegelijkertijd weer zijn verdwenen. De boodschap die zij achterlieten was dat zij nog immer op zoek zijn naar het bewuste boek dat door de tijd weer is verloren gegaan, en nu na zoveel jaren (als evenzovele bladzijden van een boek!) nog altijd vooral een geheim is.
Ten slotte van dit alles rest mij u dit te vragen: Hebben genoemde Jon en Silje reeds bij u in het Zuidrijk om asiel verzocht? Want zo ergens dan toch zeker bij u. Ik mag u bidden mij van uw wetenschap hieromtrent ten spoedigste te verwittigen. Niet in het minst omdat ook het verhaal de ronde doet dat ze het spoor bijster zijn, dat het voorgoed verlies van het boek zou betekenen dat zij nimmer hun leven kunnen leven of hervatten zoals zij maar al te graag zouden willen. Er is dus wel enige haast bij.
Mijn brief aan u gericht is van een lengte die elke maat te buitengaat, maar houd u mij voor verontschuldigd. (U weet hoe duur perkament tegenwoordig is, dus bij gebruik kan men maar beter alle ruimte dat het biedt benutten.)
Met de hoogste achting,
Hertog Leendert, heer van het Noordrijk, uw dienaar wanneer ik u ook maar van dienst kan zijn
















