Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.
(25a) Terwijl Jon en Silje hun zeemansbenen op de proef kunnen stellen op de Tempus Pontis en hun hart en dromen kunnen ophalen in Kapitein Nemo’s bibliotheek gebeurt elders, in een andere tijd en op een andere plaats, zo lijkt het in elk geval, iets heel anders…
Diep verzonken in zijn gedachten zit Hertog Leendert van het Noordrijk in zijn troonzaal. Het plotselinge onstuimige weer rondom zijn kasteel heeft zijn hofhouding onrustig gemaakt. Geschokte en geschrokken gezichten zag hij zojuist nog toen hij door de gangen liep. Vanuit een van de ramen aan de oostzijde van het kasteel zag hij de stallen van de paarden. Een aantal van zijn wachters probeerden de paarden tot bedaren te brengen, de edele dieren stonden te snuiven en te stampen. Tegelijkertijd stegen drie van hen juist op en spoorden paarden aan richting de kust. Met een diepe zucht kuierde de hertog verder, met zijn handen in zakken, op weg naar zijn troonzaal. En eenmaal daar aangekomen, liet hij zich met een zucht op zijn troon vallen en liet zijn kin op zijn rechterhand rusten. Zo zat hij daar enige tijd voor zich uit te staren. Het leek een beetje of hij verveeld was, maar dat was maar schijn. Het onstuimige weer voelde voor hem als een teken dat er iets stond te gebeuren. Hij kon het nog niet plaatsen, maar dat zou wel komen. Hij liet zijn gedachten maar eens de vrije loop. Een heerlijke bezigheid. Sommige mensen noemen het lummelen, maar dat klinkt zo onaardig, zo negatief. Lummelen is niets doen, zeggen ze dan, niksen, duimendraaien… Ze moesten eens weten hoe belangrijk lummeltijd is. Hoe moeten anders al die gedachten, al die indrukken, al die ideeën ooit een plekje in je ziel kunnen krijgen? Hoe moet je anders ooit komen tot het zien van verbanden tussen de vele gebeurtenissen in je leven? De hertog wist dat een momentje lummeltijd hem uitkomst zou bieden. Langzaamaan zou hij gaan ontdekken wat die onstuimige weer te betekenen had. Met een gelukzalige grijns ging hij verder met lummelen.
Ineens slaan de deuren van zijn troonzaal met zo’n kabaal open dat de hertog schrikt, met zijn kin van zijn hand schiet en van pure ellende op zijn tong bijt. Geïrriteerd door deze ruwe verstoring van zijn lummeltijd kijkt hij op naar de drie mannen die zo plotseling de troonzaal in zijn gestormd. Drie wachters staan doorweekt en verwaaid voor hem. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ vraagt de hertog, een beetje nors, maar ook nieuwsgierig. ‘Vreemdelingen, heer, vreemdelingen of indringers! We zagen ze bij de rotsen bij de kust. Ze zagen er zo vreemd uit, een man en een vrouw, we vertrouwden het niet! We spraken hen aan, maar toen brak ineens dit noodweer los. We konden niet anders dan terug naar het kasteel, het werd te gevaarlijk. Maar, heer, de vreemdelingen, ze konden nog net vertellen dat ze Jon en Silje heten en dat ze op zoek zijn naar een boek??’ De wachters kijken vragend naar de hertog. Maar die kijkt met dezelfde vragende ogen naar zijn wachters… ‘Ja, zeg, en nu dan? Waar zijn deze vreemdelingen dan? Hebben jullie ze niet meegenomen? Hebben jullie ze geen schuilplaats aangeboden?’ De hertog is zijn pijnlijke beet op zijn tong alweer vergeten en nieuwsgierig en hoopvol is hij naar het puntje van zijn troon geschoven. ‘Ehm…’ begint de wachter die zojuist ook al sprak, beschaamd zoekt hij naar woorden en kijkt zijn mede-wachters hulpzoekend aan. Een van hen neemt het over, ‘Eh, ja ziet u, heer, toen het noodweer uitbrak waren de vreemdelingen verdwenen… denken we… het was echt chaos ineens, we hebben ze niet meer gezien.’ ‘Verdwenen, zei je?’ met een zucht van teleurstelling schuift de hertog weer terug op zijn troon.
Maar echt teleurgesteld is hij ook weer niet… Hij stuurt de wachters weg. Ze kunnen maar beter iets droogs aantrekken in plaats van hier zijn mooie troonzaal helemaal nat te maken. Nog even blijft hij op zijn troon zitten, hij heeft nog even een klein beetje lummeltijd nodig voordat hij zeker weet wat hij moet doen. Want zie je, hij wist het wel, het plotselinge noodweer was echt een teken. Die twee vreemdelingen, Jon en Silje… Hij wist wel dat hun paden eens weer zouden kruisen, het moest wel, ergens moeten ze ooit weer een weg terug vinden, naar hun eigen wereld… ze moeten toch eens weer een keer terug kunnen gaan… ze… Ja! Hij weet het, hij zal een bericht versturen naar de hertogin van het Zuidrijk. Als die Jon en Silje hier zijn rijk binnen konden komen en plotseling weer verdwenen zijn, kunnen ze ook in het Zuidrijk opduiken. Als de hertogin op de hoogte is, maken ze meer kans om hen te treffen en de weg terug te vinden…
Blij met zo’n vruchtbare lummeltijd springt hij van zijn troon af, gaat op zoek naar een stuk perkament, een veer en een potje inkt en begint te schrijven; beste collega-Hertogin-Judith…
















