Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(25) Jon en Silje hebben natuurlijk weleens over het schip TEMPUS PONTIS gehoord, maar dat ze ooit daar als drenkelingen aan boord zouden worden gehesen dat lijkt te mooi om waar te kunnen zijn. Toch is het waarlijk zo, zegt de kapitein tegen Jon vanachter de deur door de kier van diezelfde deur waardoorheen hij droge kleren heeft aangereikt gekregen. Dit mysterieuze schip is als het monster van Loch Ness, het duikt op waar en wanneer het zelf wil en nog weinig ogen hebben de boeg aanschouwd, maar zo waar we hier staan en de deining dieponder voelen en de naam prijkt aan stuurboordzijde is dit schip de enige echte, maar dan ook de echte enige, of hoe zeggen jullie dat tegenwoordig in jullie eigen eeuw in hip Noors?
Jon gelooft haar graag, maar iets in hem aarzelt. De droge kleren die hij heeft gekregen zijn geen kleren die hij zelf zou uitkiezen. Hij dacht een bruine monnikspij te hebben gekregen, maar de stof zuigt zich vacuüm aan zijn lijf en dus lijkt hij eerder een duikerspak aangemeten te hebben gekregen, ware het niet dat de buitenkant met vederzachte haren is bedekt en hij er dus uitziet als.. als.., als een.. vogel? bever? cavia? of een heel nieuw soort onder de dieren? of misschien een nieuwe mens? – Al klaar? vraagt de kapitein door de kier van de deur, en de rand van haar Driesteek Hoed kijkt even om het hoekje. Jaja, zegt Jon, bijna, het is nogal ingewikkeld dit aan te trekken, want de boel kleeft als een gek en het is natuurlijk niet de bedoeling dat ik er zo dadelijk uitscheur – en o help, als ik nou zoiets als een sanitaire stop heb te maken dan moet ik nog wel zien uit te vinden hoe ik kan lozen wat ik te lozen heb, u zult begrijpen wat ik bedoel. – Geen zorgen hoor, hoort hij, wij hebben aan alles gedacht, aan zoveel als een ieder ook van ons maar nodig heeft. De stoffen die wij dragen zijn absorberend en uitademend tegelijkertijd, en wel van binnen naar buiten, en ja terwijl we aan de reling in de wind staan, stinken we dan even, maar dat is het dan ook. Het is een oude methode. En jullie kennen denk ik de uitdrukking ‘een uur in de wind stinken’ nog wel, nou dat heeft dus een oude geschiedenis. Wij hoeven ons totaal geen zorgen te maken over onze speciale behoeften. Wij hebben een natuurlijke drainage, van zowel vocht als afvalstoffen, en dat is ook de reden dat in de oude geschriften die jullie ook nog wel bekend zullen zijn, tot en met de Bijbel en de Koran, er nooit wordt gesproken of geschreven over het sanitaire probleem in de moderne tijden. Dus wees dankbaar, wees blij, de schepping zorgt intelligent genoeg voor haar schepsels.
Jon komt de kamer uit waarin hij zich heeft kunnen omkleden. Hij ziet er geweldig uit. Niet als een mens, niet als een dier, eerder als een faun of een sater – maar wel zo dat niemand zou denken aan een faun of sater. Nou ja, voor ons is hij natuurlijk gewoon Jon. Wie we zijn hangt nu eenmaal niet van onze verschijning af. De kapitein loopt Jon voor via het bovendek naar een schuinaflopend lager gedeelte dat uitkomt bij een deur. Ze gaan de deur door en daar staat Silje. Oogverblindend. Ze staat er als een koningin. Een diadeem in haar haar en haar haar glanst op een manier die doet denken aan.. aan.., ja aan iets dat glanst van binnenuit. En de japon die ze draagt is van een blauw dat nergens anders op aarde of op zee lijkt te kunnen gevonden, zó blauw. Jon denkt even dat zij het niet is, maar ze is het, nog altijd Silje. Ze glimlacht, ze lijkt betoverd, of ze is betoverend, wat begint waar?
Silje zegt: Jon heb jij al gehoord wat ik heb gehoord? Jon is sprakeloos. Silje zegt: nee dus.., dan zal ik je ermee bekend maken. Hier op dit schip komen al onze dromen uit, dit hier is waar we moeten zijn, waar we altijd al hebben willen zijn, maar we wisten niet hoe er te komen. We hadden er een voorstelling van, en weet je nog dat we zeiden tegen elkaar het moet mooier en rijker en veelzijdiger, oneindig veelzijdiger zijn dan de tegenwoordige platlanders ook maar zouden kunnen vermoeden, weet je nog dat we dat altijd zeiden? Mooier-en-rijker-en-veelzijdiger-oneindig-veelzijdiger-dan-tegenwoordige-platlanders-kunnen-vermoeden, en dan schoten we altijd in een langdurige slappe lach, aangeraakt door een geluk dat door ons heensloeg. Ja zegt Jon, ik weet wat je bedoelt. Weet je zeker dat dat hier is? Ja heel zeker, zegt Silje. Ik heb er al iets van gezien, en als je je omkeert zie je de naam boven de deur staan. Jon keert zich langzaam om, en kijkt, en leest: KAPITEIN NEMO’S BIBLIOTHEEK.
De kapitein knikt. Ze zegt: ja, kapitein Nemo, mijn vader.
















