Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.
(24a) Langzaam schuifelt Jon met een voet… en dan met nog een… hij moet er al zijn wilskracht voor inzetten. Maar Siljes uitroep ‘hou op hou op hou op!’ heeft hem wakker geschud, een beetje. Hij voelt de watten in zijn hoofd, hij voelt zijn ogen prikken en branden als hij ze weer probeert te gebruiken. Maar zo goed en zo kwaad als het gaat probeert hij zich op Silje te focussen. Voetje voor voetje schuifelt hij verder, steeds dieper de grot in.
Silje is gestopt met roepen. Opgelucht schuifelt ze achter Jon aan. Met z’n tweeën is het beter dan alleen en ze had Jon hier ook nooit achter kunnen laten. Misschien is het wel het slimste om weer terug te gaan, dieper de grot in, hopelijk op weg naar hun kantoor. Ze denkt aan hun kantoor en ze hoort bijna het gebrom en gepruttel van de koffiemachine, ze proeft de koffie bijna in haar mond… ja, dit is waarschijnlijk echt de slimste weg om te gaan. Liever dit dan op zoek moeten gaan naar het kasteel van hertog Leendert… toch?
Ze schuifelen samen verder. Eerst tot hun enkels in het water… In de verte ziet Silje weer een vaag lichtschijnsel. Ze voelt de hoop en opluchting opborrelen van binnen, daar moeten ze vast heen… Dan komt het water tot halverwege hun kuiten… Stug schuifelen ze verder… Maar als Silje het water rond haar knieën voelt klotsen schrikt ze ineens op. ‘Jon… Jon!’ Roept ze. ‘Er klopt iets niet!’ De paniek slaat weer om haar hart, weg is de hoop, weg is de opluchting. ‘Het water zou minder moeten worden niet meer! Jon!’ Als een dronkeman draait Jon zich om en probeert zijn branderige ogen op Silje te richten. Het lukt half. ‘Jon, het klopt niet, echt niet!’ Even staren ze in de stilte naar elkaar. Het blijkt letterlijk een stilte voor de storm. In de verte horen ze een enorm geraas en gedaas… wat is het? Verschrikt kijken ze omlaag, het water dat eerst rond hun knieën klotste reikt inmiddels tot hun dijen en het gaat steeds sneller. Nee, wat nu!? Nee, nee, nee!!
Jon, schudt eens flink met zijn hoofd, alsof hij met het schudden de wolken en watten probeert kwijt te raken. Verdraaid… het lukt niet… wat gebeurt er toch allemaal… het moet, het moet, het moet!! Het water klotst inmiddels tegen zijn borst aan, en het is geen warm water. Dat helpt, met een schreeuw en een laatste schud van zijn hoofd verdrijft Jon de wolken uit zijn hoofd. Hij grijpt Silje bij de hand ‘we moeten bij elkaar blijven, Sil, wat er ook gebeurt!’ Eindelijk ziet Silje de heldere ogen van Jon, en van oplichting schiet ze bijna in de lach, ze grijpt Jons hand stevig beet en samen kijken ze in de richting van het razende kabaal.
Daar komt het, waar ze eerst nog een vaag lichtschijnsel zagen zien ze nu een enorme vloedgolf hun kant opkomen. ‘Zwemmen Sil, watertrappelen, en niet loslaten!’ roept Jon nog. En als een enorm watermonster golft het water over hen, neemt hen mee, zuigt hen naar beneden en duwt hen een bepaalde richting uit. Jon en Silje hebben geen idee waar ze naar toe gaan, dit hebben ze niet meer in de hand, ze kunnen niet anders dan elkaars hand vast blijven houden, hun adem in houden en hopen dat dit snel voorbij is.
Ineens worden ze allebei in hun kraag gegrepen. Als in een soort worsteling met water kleding, iets hards en een stevige hand worden ze boven het water uitgetrokken. ‘Drenkelingen!’ horen ze een ruwe stem schreeuwen. ‘Ja, we hebben ze hoor, ze lijken wel in orde, alleen een beetje nat, hahaha.’ Met een bulderend gelach worden Jon en Silje aan boord getrokken van het schip de Tempus Pontis. Ze worden ruw met de ruggen tegen elkaar aan geduwd en zien zich omringd door ruw ogende zeebonken. Zijn het piraten? Zijn het matrozen? Hebben ze het goed met hen voor? Of juist niet? De vragen schieten door Siljes hoofd. Ze hoort Jon achter zich zwaar hijgen en voelt de spanning in zijn lijf. Ze zoekt naar zijn hand…
‘Drenkelingen zei je?’ De groep mensen die hen omsingelde wijkt uiteen en iemand, die overduidelijk de kapitein moet zijn, loopt rustig op hen af. ‘Drenkelingen dus… waar komen jullie vandaan?’ Siljes hoofd maakt overuren, maar de angst en de paniek overheersen en ze weet gewoonweg geen antwoord. ‘We komen uit Oslo’, hoort ze Jon ineens zeggen met trillende stem, ‘we komen uit Oslo en zijn op zoek naar Thomas, de monnik, we waren bijna bij Leendert, de hertog… maar het water…’ ‘Hertog Leendert, van het Noordrijk?’ De kapitein kijkt hen met enig ontzag lijkt wel aan. ‘En jullie waren daar bijna?’ Met het gevest van haar zwaard tilt de kapitein haar Driesteek Hoed een beetje omhoog, en met een vriendelijke glimlach zegt ze ‘kom maar met ons mee, het Zuidrijk is makkelijker toegankelijk, en de hertogin zal jullie verder helpen.’
















