Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(24) Nog maar nauwelijks is de in vogelveren gestoken en vogelkops gehelmde ruiter uitgesproken of de lucht betrekt met naar elkaar toevluchtende angstaanjagende zwarte wolken, ze kolken als een zwarte zee die zich ontrolt als de eerste inktgolf in mythische tijden uit gebroken potten in China en Egypte. Er breekt een donder uit die de grond doet schudden en het begint zwaar te bliksemen, van het ene op het andere moment barst een hoosbui los die een hoosbaan wordt en een regenhoos die al het water van de oceaan lijkt te willen gebruiken, een die het grensverkeer en het toch meestal scherpe verschil tussen hemel en aarde uitwist. Slechts op goed geluk weten Jon en Silje door het regenscherm dat hen alle zicht ontneemt de rotsopening te bereiken waaruit ze in deze wereld waren terecht gekomen, blijkbaar een wereld waarin de onbestendigheid van het weer nog groter is dan in Noorwegen, en vooral Oslo, of waar ook in de wereld waaruit ze gekomen waren. De ruiters zijn er spoorslag van doorgegaan, zoveel is zeker – niet dat hoefgetrappel hoorbaar was in het hels kabaal van de natuur die wraak leek te willen nemen op alles en iedereen, hoewel je dan ook afvraagt op wat en op wie, maar niet hoorbaar dus dat de ruiters hun paarden de sporen hebben gegeven, zo min als zichtbaar dat de ruiters met enige zekerheid als de bliksem terugkeerden naar het kasteel van hertog Leendert – en wel letterlijk als de bliksem, zo vurig hun paarden op dat onzalige moment van zwarte lucht en geelwit licht.

Silje tikt Jon op zijn schouder, ze zegt: Kunnen we niet beter proberen een pad te vinden naar het kasteel in plaats van hier in deze rots eindeloos te wachten tot dit nu al dagenlange on-weer eindelijk eens ophoudt, en we hopelijk ook eindelijk weer een beetje normaal voedsel tot ons kunnen nemen en we geen slangetjes als palinkjes meer hoeven te vellen, en dat in plaats van dat jij hier met een roetstaafje dit allemaal hier op de rotswand zit te schrijven? Ze is lichtelijk in paniek.

Ze spelt de woorden op de rotswand nog eens en leest voor: Nog maar nau-we-lijks is de in vo-gel-ve-ren ge-stoken en vo-gel-kops ge-helm-de…, enzovoort, zegt ze. Ik vind het wel een mooie tekst hoor en het vertelt ook precies hoe het is gegaan, hoe we hier weer in dit voorportaal van de hel – ze is nu echt in paniek – terecht zijn gekomen, maar Jon, zegt ze, stop nu alsjeblieft met schrijven, dit heeft geen enkele zin, het lijkt wel of je zelf buiten zinnen bent geraakt, en ik erbij, één ding weet ik we moeten hier weg en nu meteen en jij moet stoppen met schrijven, gooi weg dat roetstaafje of slik het in, hou op hou op hou op!! of ik word gek….

Jon kijkt Silje met holle ogen aan, hij heeft ogen waarin alleen nog maar woorden staan, de woorden die hij zojuist op de rots kraste, een voor een, letter voor letter, en hij dacht dit wordt mooie tekst, de wereld kan buiten vergaan, de zon kan verdrinken in deze oervloed, maar ik zal nog schrijven, want schrijven is blijven, en blijven is leven, en leven is ademen, en ademen is, ademen is, ademen is wat ik ben, ademen is wat ik wil, ademen is hier overleven, met Silje, in deze grot, en buiten blijft het aards donker, maar de dagenlange bliksemflitsen verlichten ook deze plek, en dus kan ik schrijven, schrijven om te blijven, blijven om te leven, leven om te ademen, ademen om te leven.

Jon kijkt Silje met holle ogen aan. Ze zijn nu al vijf dagen in deze grot en buiten onweert het nog altijd zoals het ineens was begonnen te onweren op een manier dat het niet meer ophield. Ze spraken na drie dagen nog nauwelijks met elkaar. Hun magen rommelden net zo hard als de rommelende donder na elke hard klap van ontlading van elektriciteit in de op holgeslagen godenwereld. De hoop dat het weer (dit werkelijk oneindig lang on-weer) ooit nog zou ophouden en dat de ruisende mist van kletterende regen voor de rotsopening eindelijk eens ietsjepietsje zou minderen, de hoop dat dat nog zou gebeuren werd steeds kleiner en ze vreesden de dag dat die hoop zou vervliegen met hun laatste adem.

Jon kijkt Silje met holle ogen aan. Terwijl ze zei: hou op hou op hou op!! of ik word gek, gloeide er een lichtje op in diezelfde ogen. En hij begon traag te spreken: Ja… Met gevaar… Met.. Gevaar.. Voor.. Eigen.. Leven.. Laten.. We.. Dat.. Doen.. Er.. Moet.. Een.. Pad.. Zijn.. En.. Zo.. Niet.. Dan.. Is.. Mijn.. Onze.. Tekst.. Hier.. Op.. De.. Rots.. Onze.. Laatste.. Tekst..