Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.

(22a) Jon is even uit het veld geslagen. Hij kijkt Silje verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je, dat u de Thomas bent die al zolang tot verdriet van de mensheid vermist wordt en die wij al zolang wanhopig zoeken? Wat heb jij opgemerkt dat ik niet zag?’ Geamuseerd kijkt Silje terug naar Jon. ‘Je bent nou eenmaal een ouwe kletskont, en dat zul je altijd wel blijven. Geeft niks hoor. Ik mag je sowieso graag. Maar terwijl jij een poging deed alles op een rijtje te zetten, al pratend, zoals je dat altijd doet, ging mijn brein ook aan het werk. Dus reken maar dat je mij geholpen hebt, Jon!’ ‘Ja, ja’, bromt Jon terwijl hij zijn armen over elkaar doet. Hij kijkt van Silje naar Allan. ‘Nou, meneer Karlsson, ter zake dan, wilt u met ons meegaan naar beneden? Naar de tijdsbrug?’

Allan kijkt bedenkelijk naar de twee jonge mensen voor zich. Hij tuit zijn lippen en begint ‘tja, ja, ik begrijp jullie vraag wel hoor, maar eerlijk gezegd vind ik dat jullie jullie eigen avontuur af moeten maken. Ik kan natuurlijk wel mee gaan en zo her en der misschien de weg wijzen, maar wat hebben jullie daaraan? Ja, ja, ik weet wel dat jullie dit hele detectivebureau gestart zijn om mij op te sporen, maar… is dat wel de echte reden van jullie zoektocht? Weten jullie nog, hoe het ooit begon? Die straat in Oslo, jullie straat, waar jullie opgegroeid zijn? Jullie ontdekten op wonderlijke wijze deuren, die toch weer geen deuren waren, en die zo nu en dan weer duizend dingen verborgen hielden! Op zekere dag stapten jullie een van die deuren binnen, die ene met dat huis met alleen maar boeken. Waarom, beste Jon en Silje, waarom toch precies die deur, met dat huis? Met al die boeken? En hebben jullie je ooit wel gerealiseerd dat jullie niet de enigen waren die door die deur naar binnen gingen?’ Weloverwogen houdt Allan (of Thomas…) zich even stil en kijkt naar Jon en Silje om het effect van zijn woorden te peilen. Hij ziet dat de herinnering bij hen terugkomt, hij ziet de gezamenlijkheid van hun herinnering, hoe ze elkaar aankijken en weer even grijnzend naar elkaar kijken zoals alleen twee ondeugende kinderen naar elkaar kunnen kijken. 

‘Tja, waarom die deur’, zegt Jon schouderophalend. ‘Er was niemand thuis, of dat dachten we tenminste, maar het avontuur dat daarop volgde hadden we zeker niet verwacht. Maar wat bedoelt u eigenlijk met dat we niet de enigen waren die door die deur naar binnen gingen?’ Silje knikt instemmend en samen kijken ze naar Allan. En die vertelt verder. ‘Avonturen kun je beleven in de wereld, maar ook in boeken, of in brieven, of in feuilletons. En als ze goed geschreven zijn, is het verschil nauwelijks merkbaar.’ Weer even een stilte, en een blik van de oude man naar de twee jonge mensen voor zich. Die kijken hem niet-begrijpend maar ook verwachtingsvol aan. ‘Toen jullie door die deur stapten,’ gaat Allan verder, ‘stapten er tegelijkertijd twee mensenkinderen uit een andere wereld mee in jullie avontuur… Niet samen, zoals jullie, maar de een ging eerst en kon nog net, schrijvend, de ander aansporen om mee te stappen. En zo raakten jullie werelden verbonden met elkaar. Jullie avontuurden verder, terwijl deze twee mensenkinderen naarstig elkaar probeerden te vinden om samen de tijdsbrug te ontdekken die hen weer terug kan brengen naar hun eigen wereld.’ 

Een diepe zucht… van Silje. ‘He? Maar hoe dan? En wie dan?’, vervolgt ze. Allan kijkt hen weer even aan en gaat dan weer verder. ‘Herinneren jullie je nog een hertog en een hertogin? Beiden waren ze op zoek naar jullie. Maar jullie vertrouwden het niet helemaal… Jullie vonden elkaar en een uitweg uit jullie avontuur. Maar zij…’ Allan schudt met zijn hoofd. ‘Bedoelt u nu te zeggen’, begint Jon, ‘dat zij na al die jaren nog altijd in het verhaal zitten van ons avontuur? Of… wat zegt u nu eigenlijk?’ ‘Ah, rustig aan maar, mijn beste Jon, vergeet niet dat bij de Heer duizend jaar als één dag is, en bij jullie één dag als duizend jaar. Tijd is een wonderlijk fenomeen. Het lijkt voor jullie nu jaren, maar voor de hertog en hertogin valt dat nog mee, een jaartje misschien, ofzo? Geen idee waar ze nu zijn, of ze elkaar al gevonden hebben of niet. En daarom zou ik jullie willen verzoeken samen naar de tijdsbrug te gaan en op zoek te gaan naar de hertog en de hertogin om hen zo mogelijk thuis te brengen, naar hun eigen plek, hun eigen leven. Anders heb je kans dat jullie uit te geven boek nog heel wat meer delen zal beslaan dan tien.’ 

Jon en Silje kijken elkaar aan. Ze voelen wel wat voor het avontuur, al begrijpen ze eigenlijk nog niet echt hoe de vork in de steel zit. Even twijfelen ze. Dan zegt Jon met een knipoog naar Silje: kom je? Zie jij wat ik zie?’ Silje knikt. ‘Ja’, zegt ze…’ Ze pakken elkaar bij de hand en gaan op weg naar de kelder, naar de tijdsbrug… Allan kijkt hen geamuseerd na.