Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.
(21a) Ademloos en enigszins verbluft luistert en kijkt Allan naar Jon en Silje. Tja, hij heeft inderdaad al een respectabele leeftijd behaald, maar wat doet zijn baard ertoe? En zijn ritme?? Waar heeft die knul het toch over. Hij gaat heus wel een beetje met de tijd mee, alhoewel hij ook heus wel zo nu en dan een beetje mist… Als Allan zijn verbazing te boven is schiet hij er gewoon van in de lach. Wat een onzin allemaal. Hij zet voorzichtig zijn handen op de leuning van Haruki, de bijzondere robotstoel, en schuift nog grinnikend zijn iPhone-loze achterwerk wat verder naar achteren op de stoel. Hij besluit eerst nog eens even een puntje te maken van wat hij allemaal wel of niet op zijn 100-ste nog zou mogen doen. Hij schraapt zijn keel.
‘Beste Silje en Jon, voordat we verder gaan moet ik nog even iets kwijt. Een kleine wijsheid van een oude grijsaard en jullie jongelingen, maar wel een wijsheid die levensveranderend werken kan! Want jullie jongelingen hebben altijd zo’n haast, je wilt zo snel mogelijk en zo hoog mogelijk vliegen. Weleens van de Griekse mythe van Icarus gehoord, hmm? Ik moet er nu ineens aan denken. De jonge Icarus werd met zijn vader Daedalus gevangen gehouden op Kreta, door koning Minos. Maar de oude Daedalus vond een manier om te ontsnappen! Hij bouwde vleugels van hout, veren en was. Er zat wel een zeker risico aan, zouden ze te hoog vliegen dan zou de was smelten door de zon en zouden de vleugels stuk gaan. Maar zouden ze te laag vliegen dan zouden de vleugels te zwaar worden van het zeewater. Ze moesten dus ergens in het midden balanceren. Ah, maar helaas, de jongelingen van alle tijden hebben altijd zo’n moeite met het midden. Zo ook de jonge Icarus. Hij vloog en vloog en vloog omhoog, steeds een beetje dichter bij de zon… de was van zijn vleugels smolt… en Icarus stortte met gebroken vleugels in zee…’ Opnieuw zet Allan zijn vingertoppen tegen elkaar en kijkt geamuseerd naar de twee jonge mensen voor hem.
‘Ehm, beste meneer Karlsson’, begint Silje, ‘dank u wel voor dit mooie maar ook heel bekende verhaal, maar wat wilt u ons nu eigenlijk zeggen?’ Silje heeft inmiddels het boek ‘Heilige Woede’ in handen en zou graag verder willen, maar ze heeft wel in de gaten dat deze oude man zich niet laat opjagen. ‘O, o, ja, eh, ja, natuurlijk’, begint Allan, ‘tja, wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat je niet te veel aan leeftijd moet hangen. Moet je als 100-jarige een baard dragen? Of mag je alleen als 100-jarige een baard dragen? Als ik er morgen geen zin meer in heb scheer ik hem er gewoon af! En als een 20-jarige een baard wil laten staan is dat toch ook geen enkel probleem? Jullie zijn al jaren koortsachtig bezig met jullie zoektocht naar de wijze Quartier. Ontspan toch eens wat, wat je vandaag ontdekt en oplost is mooi, maar wat niet lukt, kan morgen ook gebeuren, of overmorgen, of nog weer later… Elke dag heeft z’n eigen ritme, niet waar, hmm? Je hoeft het raadsel niet vandaag al op te lossen als dat nog niet lukt, haha!’
Jon schraapt zijn keel, hij voelt de nodige frustratie opborrelen en doet zijn best om dat een beetje binnen te houden. Hij kijkt eens naar Silje en ziet bij haar precies hetzelfde gebeuren. Silje heeft zich als eerste weer in de hand. Ze kijkt, met een grimas op haar gezicht, naar meneer Karlsson. ‘Nogmaals dank voor uw vele woorden, maar u stuurde ons een ‘anonieme’ tip, we zouden het vooral daar graag nog eens even over willen hebben met u, begrijpt u? Nogmaals, we nemen elke tip serieus, maar willen ook even wat verder onderzoek vooraf voordat we tot handelen overgaan. We kunnen de kelders en onderaardse gangen onder ons huis wel ingaan, maar toch zou ik eerst nog iets meer willen weten over uw tip. Ik verwacht niet zomaar dat als we naar beneden gaan dat we dan gelijk de monnik Thomas tegen zullen komen, of wel?’ Scherp en met een vragende blik kijkt ze naar de oude man voor haar. Die kijkt slechts geamuseerd terug over zijn vingertoppen. ‘Tja…’ zegt hij. ‘Is dat alles wat u te zeggen hebt??’ reageert Jon, toch nog met de nodige frustratie. ‘Wat vertelt u nu precies? Dat er een tijdsbrug of een portaal of zoiets ligt onder ons huis? Hoe zou het nou kunnen dat wanneer we naar beneden gaan dat we, uitgerekend onder ons eigen huis, de oplossing vinden van de vraag waar we al bijna ons hele leven mee bezig zijn, waar ons hele detectivebureau door ontstaan is??’ ‘Ah’, zegt Allan nog altijd geamuseerd, ‘u slaat de spijker op z’n kop. Een vraag waar u beiden al bijna uw hele leven mee bezig bent geweest. Uw hele leven!? En nog niets opgeschoten, he? Haha, hebt u er ooit eens aan gedacht dat u door groter te groeien en ouder te worden niet meer, maar juist minder wijsheid vergaart? U stelt de vragen op de verkeerde manier!’
‘Ik ben er klaar mee, Silje’, zegt Jon, ‘bel 0011 maar, hier schieten we dus echt niets mee op.’ Silje twijfelt nog even, maar belt toch. Allan ziet wat ze doet, welk nummer ze belt, en schiet opnieuw in de lach. ‘Alweer verkeerd!’ roept hij. Verbaasd kijkt Silje naar Jon, ‘de lijn is overbelast, hier kom ik nooit doorheen…’
















