Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.

(20a) Als Allan uitgesproken is laat hij zich met een hoorbare zucht achterover in de luxe robotstoel van Silje zakken. Hij zet zijn vingertoppen tegen elkaar en kijkt verwachtingsvol van Silje naar Jon en weer terug. Die kijken op hun beurt nog steeds met open mond naar Allan. 

‘Eh, wacht even hoor,’ zegt Silje, ‘natuurlijk zijn we op de hoogte van kelders onder deze huizen en, vooruit, onderaardse gangen neem ik zonder meer voor lief aan en gezien de tijd waarin deze huizen gebouwd zijn neem ik ook zo aan dat dit alles stamt uit de tijd van de oorlog, maar ik geloof gewoonweg niet dat we Thomas daar zullen vinden…’ Siljes reactie heeft Jon wakker geschud. ‘Nee,’ zegt ook hij, ‘kom, dat kan ik ook niet geloven. Dat lijkt me gewoon te eenvoudig. U moet echt met een beter verhaal komen hoor. Tjonge, met zulke bestsellers op uw naam…’. 

Geamuseerd kijkt Allan over zijn vingertoppen naar dit stel jonge mensen, ze geloven er echt niets van, dat kan hij wel duidelijk zien. Maar hij laat zich niet zomaar wegzetten als een fantast. Hij heeft wel voor hetere vuren gestaan. Al die wereldleiders en gangsters die hij gesproken heeft… hij grinnikt ervan. ‘Mag ik vragen wat er zo grappig is?’, vraagt Silje. ‘Jazeker, jongedame, dat mag’, zegt Allan, ‘en tegelijkertijd staat het mij vrij om, voorlopig nog, geen antwoord te geven.’ Hij ziet wat frustratie, of is het irritatie?, opkomen bij Silje. Maar ze zal gewoon even geduld moeten hebben. Een 100-jarige gaat nou eenmaal niet zo snel, fysiek niet en ook mentaal niet, en Allan weet dat hij uiteindelijk uit zal komen waar hij uit wil komen, maar hij heeft wat meer tijd nodig dan deze twee jonge mensen voor hem zich zouden kunnen voorstellen. ‘Nou,’ begint Allan, ‘aangezien u al weet dat ik gauw opgestaan ben en mijn best heb gedaan hier zo snel als mijn hoge leeftijd het toelaat te komen, zou ik best wel een kopje koffie lusten om te beginnen.’ 

Jon staat op en loopt naar de koffiemachine. Hij pakt een kopje en wil het onder de machine zetten. ‘O, eh, u heeft zo’n moderne koffie-ding-eh,’ Allan kijkt wat verbaasd verontschuldigend naar Jon. ‘Maar we zijn in Oslo, en wij, Noren, zijn toch de grootste koffiedrinkers ter wereld? Heeft u echt geen filterkoffie? U weet wel, zo eentje met een lichte branding?’ Jon zucht, ja ja, echte filterkoffie, met een lichte branding, natuurlijk kent hij dat. Hallo, ze zijn toch in Oslo. Maar het kost zo belachelijk veel tijd om zulke koffie te maken, de machine die ze hebben staan gooit de koffie er zo uit. ‘Sorry’, zegt Jon, ‘echte filterkoffie heb ik niet hier, maar deze machine maakt ook lekkere koffie hoor.’ Allan trekt een zuinig gezicht en tuit zijn lippen, ‘tja, vooruit dan maar, ik zal eens een poging wagen.’ Enigszins opgelucht zet Jon de koffiemachine aan en nadat de machine met een hoop geratel de bonen vermaald heeft loopt het kopje langzaam vol met het bruine goud. Ondertussen malen zijn gedachten door op volle toeren, zoals alleen zijn gedachten dat kunnen.

Silje kijkt naar Jon, ze kan zijn gezicht niet zien, maar aan zijn houding kan ze zien dat zijn gedachten als een malle tekeer gaan. Dat heeft Jon altijd al zo gehad. Ook op hun vroegere avonturen, met deuren die geen deuren waren, maar wel huizen bleken te verbergen, ook toen al konden Jons gedachten over elkaar heen tuimelen. Toentertijd gooide hij dan gelijk al zijn gedachten, ideeën en bezwaren eruit, maar daar is hij in de loop der jaren wat voorzichtiger mee geworden. Niet zozeer naar haar, Silje, zijn beste vriendin, maar wel naar anderen. En nu is er een wel heel excentrieke ‘ander’ bij. Die Allan is toch wel echt een vreemde vogel, met zijn zogenaamd anonieme tip, en zijn gepraat over kelders en onderaardse gangen. De scannende deur kan dan weliswaar zien of iemand gewapend is of niet en of zijn zakdoek gewassen moet worden of niet, maar de deur is toch nog niet in staat om te concluderen of iemand te vertrouwen is of niet. Als ze daar toch eens iets op zou kunnen verzinnen… De koffie is klaar en Jon draait zich om. Even vangt Silje zijn blik op en dat is voldoende voor hen allebei om te weten waar de ander staat.  

Jon geeft de koffie aan Allan, die hem toch dankbaar aanneemt. Hij warmt zijn handen om het kopje en snuift voorzichtig de geur van de koffie op. Die is hem niet onwelgevallig. Deze koffiemachines zijn in de loop van de tijd behoorlijk beter geworden constateert hij. Hij laat zich weer rustig achterover in de stoel zakken, doet even zijn ogen dicht en kijkt vervolgens Jon en Silje weer aan. ‘Dus’, zegt hij, ‘vertel me nu eens waar jullie moeite ligt, waarom is het lastig om mijn woorden te accepteren dat jullie Thomas hier zullen vinden?’