Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(20) Op dat moment klinkt de beginmelodie van Beethovens Für Elise en licht het grote muurscherm op. Jon laat zijn blik langzaam naar Silje dwalen. Zij werkt onverstoorbaar door, tikt als een razende op haar laptop en blaast een pluk haar weg die voor haar rechteroog hangt. Ze zegt: ‘Ik heb zo’n vermoeden dat onze gezochte anonymus al voor de deur staat.’ Opnieuw klinkt het begin van de melodie, onsterfelijk mooi als altijd. Nu kijken Jon en Silje allebei naar de muur. Ze zien dat er een man voor de deur staat, een met een behoorlijk lange baard, en omdat hij behoorlijk krom staat zou hij op hoge leeftijd kunnen zijn – wat op zich best wonderlijk is, hoe hoger de leeftijd hoe dichter mensen bij de grond gaan leven, alsof ze naar het einde neigen en nijgen (met korte én lange ij) en zich daarom al voorover buigen. Silje schuift met haar ene hand over de hoek van haar hoogstpersoonlijke onderzoeksbureau en vraagt – als door een onzichtbare microfoon: ‘Voor wie komt u meneer? Een goedemorgen trouwens, u bent al vroeg uit de veren, voor dag en dauw misschien opgestaan om hier naartoe te gaan?’ En ze knipoogt naar Jon. Hij moet er om grinniken. Hij vindt haar levensvreugde altijd verrassend. Silje en een ochtendhumeur sluiten elkaar uit. Ook hij heeft van dat laatste weinig last, maar een beetje op gang komen moet hij toch altijd wel. Gelukkig helpt koffie daarbij. En als hij alleen is een glas koude chocolademelk. De man voor de deur heeft haar niet goed verstaan, hij lijkt een beetje dovig. Hij zegt: ‘Ja dag, goedemorgen, ik wil u graag spreken.., maar maar.. hoe weet u dat ik gauw ben opgestaan..?’ – ‘Een beetje flauw, maar voor uw doen misschien, voor dag en dauw’, zegt Silje. ‘Jeroen Pauw?’ – ‘Komt u binnen’, zegt Silje en ze schuift opnieuw met haar hand over de hoek van de tafel.

Wat nu gebeurt is het volgende. De glazen buitendeur met glas zo dik dat er een kogel in zou blijven hangen, zoeft open en de bezoeker wordt bedelmd met het vervolg van Beethovens muziek. Bij binnenstappen sluit de deur zich achter de bezoeker en staat op de buitenkant van de deur opnieuw te lezen DETECTIVEBUREAU JON & SILJE, alsof er niemand naar binnen is gegaan en ook niemand ooit nog naar buiten zal komen. Dat is wat woorden doen. Die blijven op hun plek. Onverstoorbaar. Zo onverstoorbaar als Silje kan werken – Jon trouwens ook, maar Silje vooral. De bezoeker is nu binnen en wordt nu langzaam meegenomen door een draaideur vol sensors. Voetje voor voetje loopt de bezoeker een rondje, geheel volgens de snelheid (beter traagheid) van de deur. Op deze wijze wordt de bezoeker geheel doorgelicht en verschijnt tegelijkertijd al zijn informatie op het muurscherm van de kamer waar Jon en Silje zijn. Alle belangrijke informatie, maar ook alle nutteloze. De scannende deur is slimmer dan elk van onze hersencellen, hij weet dat ook het nutteloze kan dienen voor goed begrip. Wat Jon en Silje nu te lezen krijgen is: Deze man heeft geen wapens bij zich, hij heeft wel een zakdoek die nodig een keer in de was moet en let op, wonderlijk detail, zijn sokken zijn niet even oud, de een is ouder en heeft al iets van een gat. Qua lengte is deze meneer (ja hij is echt een hij, heb ik intussen ook echt geslachtelijk geconstateerd), hij is 1 meter 823335 om precies te zijn. Volgens zijn DNA hebben we weer met een uniek persoon te maken en zijn leeftijd loopt op dit moment nog op, maar kan nu op 100 jaar worden gesteld. Zijn naam is Allan Karlsson, hij is geboren in Oslo, hij is er ook getogen en hoewel oud, sterven doet hij nog niet – te vrezen valt dus echter, gezien zijn leeftijd, dat ook dat spoedig te constateren zal zijn, volgens de nuchtere alwetende feiten.

Langzaam, voetje voor voetje, komt de bezoeker nu de kamer van Jon en Silje binnengeschuifeld. Natuurlijk staan ze beiden op en geven de oude man een hand. Jon zegt: ‘Blij u te ontmoeten meneer Karlsson, en ik weet zeker dat ik ook namens Silje spreek.’ ‘O echt?, zegt de man, u hebt mijn boeken gelezen?’ – ‘Maar natuurlijk, zegt Silje, wie niet? De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, en ook: De 100-jarige man die terugkwam om de wereld te redden. Uw twee bestsellers!’ De man knikt. Jon zegt: ‘Maar u bent vast niet gekomen om met ons dáárover te praten, gaat u toch zitten.’ De hightech robotstoel in de hoek van de kamer (die Silje eigenlijk alleen voor zichzelf wilde reserveren om af en toe met 3D-bril op te kunnen tijdreizen, terwijl de stoel een paardenrug of een hobbelkar simuleert, maar nou ja) – deze stoel rijdt zich naar de man en hij neemt erop plaats. Hij zegt: ‘Ik heb jullie een anoniem bericht gestuurd en inmiddels heeft Silje mij opgespoord en mij per sms laten weten dat ik maar beter kan komen praten, en hier ben ik dan.’ Jon kijkt heel verbaasd, maar Silje knikt meelevend. De man vervolgt: ‘Ik heb echt een vermoeden waar de vermiste monnik Thomas Quartier gevonden zou kunnen worden, dood of levend. Al mijn oude en ervaringrijke hersenen hebben met mij meegedacht en ik ben tot een conclusie gekomen. Mijn moeder zaliger zei altijd: Allan let op, ik heb een vraag voor je, wat is de veiligste plek voor een vlieg? Ik vond dat een van de moeilijkste vragen die mij tot dan toe gesteld waren. En ik moest zeggen (ook later nog, toen ze de vraag weer stelde en ik het antwoord weer eens vergeten was), ik moest mijn moeder zeggen dat ik het niet wist. En dan was haar antwoord: Allan onthou nu voor altijd, de veiligste plek voor een vlieg is óp de vliegenmepper. Ik ben dat nooit vergeten, en nu moest ik er weer aan denken. Ik denk dus dat de monnik hier te vinden is, op deze plek, in dit huis.’ Met open mond kijken Jon en Silje hem aan. ‘Ja, zegt de man, weten jullie niet dat er onder deze huizen kelders zijn en onderaardse gangen uit de tijd van de oorlog? Jullie zouden hem overal gaan zoeken, in heel Oslo of ver daarbuiten, maar hij is hier. En hij is ook oud, zoals jullie weten, precies zo oud als ik ben.’