Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(19) Het liedje van Silje

Kijk ik door het venster

van mijn liedje naar het

donker van de nacht,

zie ik de zon in duister,

zie ik de sterren als

druppen tranen, druppen

tranen

Ik zie een rode maan,

zo rood als bloed, ik

hoor roepen – en een

hond die blaft. In deze

nacht ben ik alleen,

zie ik de sterren als

druppen tranen, druppen

tranen

Waarom

Waarom heb ik alleen

dit venster, alleen dit liedje

van verdriet en tranen

Mijn venster wil niemand

delen, mijn verhaal wil

niemand horen, mijn 

wereld ligt verloren

in een dal vol donker,

mijn hemel kent alleen

nog sterren die druppen

als tranen, druppen

als tranen

Nog eens kijk ik door

mijn venster – de spijlen,

in het midden, de vorm

van een kruis. Ik

hoor iemand de vraag

herhalen: Waarom

Waarom heb ik alleen

dit venster, alleen dit liedje

van verdriet en tranen

Ik wil naar huis

Samen luisteren wij naar het

oude antwoord:

Als jij niet hoort wat anderen

zouden moeten kunnen horen,

waarom zij wel?

Als jij niet zegt wat anderen

zouden moeten kunnen willen zeggen,

waarom zij toch wel?

Als jij niet verhaalt over wonderen

terwijl ook anderen daarvan zouden moeten

kunnen verhalen, waarom?

Als ook na deze nacht geen dag

zou volgen, waarom dan

eerder wel?!

Luister naar dit klagen van

wind in de nacht.

Morgen zal het Pasen zijn,

licht om je over te verbazen,

zo niet morgen dan toch

overmorgen, en alle dagen.

De laatste woorden fluistert Silje nog een keer. Ze kijkt naar het boek. Er valt licht over. Het is het licht van de morgen. Ze slaat het boek open en ziet dat het oude deel ten einde is en er een nieuw deel begonnen is.

II

Gehaast beent Silje door de straten van Oslo. Ze houdt van haar stad. Als kind vond ze het al heerlijk om te dwalen door de wirwar van alles wat Oslo tot Oslo maakte, de stegen, de lanen, de huizen kleurrijk als legostenen en overal dezelfde deuren waardoor ze min en (vooral) meer zo ontelbaar veel waren. Nu dertig jaar later is de stad er nog eindeloos veel mooier op geworden: een groene stad; met nieuwe parken en fraai gestylde zonnepanelen op de huizen en op de daken van kantoren daktuinen, een stad vergelijkbaar met Rotterdam. Silje geniet met volle teugen van Oslo. Maar zoals altijd al in haar snelle en zich soms versnellende leven – de vluchtigheid niet eens meegerekend – is er geen tijd te verliezen, en heeft dus elk genieten zo geen grens dan toch een structuur nodig. Ze drukt een handtas dicht tegen zich aan en kijkt snel op haar horloge. Sinds de melding is er een half uur verstreken. Ze slaat een hoek om en blijft staan voor een deur waar op het glas een naam staat gegraveerd: DETECTIVEBUREAU JON & SILJE. Ze steekt de sleutel in het slot en gaat naar binnen. Jon is er nog niet. Ze klikt haar laptop aan en ziet op het scherm de eerste anonieme tip oplichten: 

wat betreft de vermissing van monnik Thomas Quartier, hij schrijft in zijn boek Heilige Woede op blz. 33 onderaan, dit: “als negenjarige jongen werd ik door mijn dorpsgenoten uitgelachen, omdat ze vonden dat ik ‘als een professor praatte’…” – zijn vijanden zijn misschien heel oude (toen jonge) vijanden…