Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(17) TUSSENTIJDS VERSLAG – Misschien is het niet verstandig dat Silje zomaar helemaal alleen zonder iemand anders als bijvoorbeeld Petronilla, die zich alleszins ridderlijk voordeed en haar een bad en nieuwe kleren (een japon met een sleep zo lang dat je denkt ’t mag korter voor ’t gemak, maar voor ’t mooi is het er één die zich haast niet met andere vergelijken laat!!), die haar dat toch bereidde en haar voorbereidde op wat komen gaat, dat ze nu zo alleen op zoek gaat naar de eetzaal – op uitnodiging van Petronilla weliswaar, en ook de geruststelling dat ze met het boek mee de weg wel zou vinden, maar ik ben er niet gerust op. Dit is eigenlijk vragen om problemen. 

Laten we ons even haar situatie voorstellen: zij bevindt zich in een wildvreemd kasteel, zij heeft nog niemand leren kennen, behalve dan de nar en Petronilla natuurlijk, en zij begeeft zich nu op weg door de talloze gangen en over de hoeveel trappen heeft zo’n kasteel en langs hoeveel deuren van kamers met sloten en dan zijn er ook nog de vele nissen, die zo donker zijn dat je denkt als ik er mijn licht maar laat schijnen zal ik er misschien een deur of een gang vinden, maar nee, en dan weer terug. 

Eerlijk gezegd wantrouw ik heel deze geschiedenis. Er zijn zoveel vragen. Te beginnen bij de hond. Die toverde het boek der boeken terug, maar speelt daarna geen rol meer, behalve dan een tekening in hout op een deur in het kasteel. U weet dat ik als journaliste van alle feiten op de hoogte wil zijn, maar waar zijn hier de feiten? Per wegstuivend paard is Silje in het kasteel gekomen, toch eigenlijk méégenomen door een ridder die vrouw is van top tot teen en die geen heks, tovenares of anderszins zal zijn, maar die het toch vooral te doen is om dat boek, zoveel is wel duidelijk. Maar veel meer ook niet. 

Eerlijk gezegd heb ik het inmiddels vaststaande idee dat deze feuilleton, die zich nu zo ontwikkelt – van bos, naar kasteel, naar eetzaal – een boodschap wil overbrengen die zich niet zomaar laat lezen. Er zal een nauwkeurige analyse moeten komen naar verborgen betekenissen, met verschillende methoden. 

Maar eerlijk gezegd heb ik wel zo mijn eigen idee. En dat idee heb ik te danken aan mijn boek ‘De boekhandelaar van Kaboel’. Ik heb zelfs sterk de indruk dat mijn boek een inspiratiebron vormt voor de schrijver(-s?) van deze feuilleton. De geschiedenis die ik in dat boek vertelde, lijkt geheel in spiegelbeeld verteld te worden in de stukken die we nu week op week en tweemaal per week krijgen voorgeschoteld. Als journaliste kan ik al bijna voorspellen waar het heengaat, namelijk naar het begin van mijn boek. Eigenlijk is de brutaliteit vrij groot zomaar een bestaand boek van achter naar voren om te draaien en tot in detail te herschrijven. Het komt mij sterk voor dat dit alleen met mijn boek het geval kan zijn, als ik de feuilleton goed tot mij door laat dringen. 

Ja ik schreef een geschiedenis en natuurlijk was dat ook een geschiedenis van mijn leven. Als ik het boek opnieuw zou lezen, zou ik erdoor wórden gelezen. En misschien is dat wel zo met elk verhaal. 

Laat mij nu uitleggen hoe Jon en Silje en al die andere personages tot nu onderdeel uitmaken van mijn leven. Omdat ik geboren en getogen ben in Oslo zou je niet verwachten dat ik over een boekhandelaar in Kaboel zou schrijven, maar ik deed het, die deur ging ik zogezegd gewoon binnen. Ik schrijf over Soeltan en dat lijkt niet op Jon, maar het rijmt wel. Ik schrijf over Sonja en dat lijkt al wat meer op Silje. En zo verder. Alle bijdragen van de feuilleton lijken op deze manier te zijn ontstaan, geschreven, maar niet bedacht – er is sprake, zo lijkt, van zoiets als omgekeerd plagiaat. 

Grote vraag is nu natuurlijk hoe Jon en Silje elkaar ooit nog vinden als Silje de eetzaal heeft gevonden. Dit lijkt raadselachtig, maar ik weet de afloop. 

Geachte lezers, de eetzaal zal leeg zijn. Silje zal het boek op de lange lange lange tafel leggen, en het openslaan. Daar zal ze lezen dat er naast een paard een ridder op de grond ligt met een speer in de rug, de ridder zal een vrouw zijn die Petronilla heet – ware het niet, dat alvorens Silje het boek openslaat, de nar de lege eetzaal zal binnentreden. Hij zal haar meedelen dat zij wordt gezocht, dat er een bevel is van de koning haar op te sporen, dat ze ervan wordt verdacht Silje te zijn, dat hij (de nar) nu haar naam heeft geraden, dat zij ervan wordt verdacht een eigen boek te schrijven dat in fragmenten wordt verspreid en dat de fragmenten betoverd zijn, iedereen, elk mens, elke lezer leest iets anders. En dat dit moet stoppen. 

Er is een groot huis opengesteld waar alles wordt verzameld, zodat het schrijfvirus zich niet langer verspreidt, zo’n huis zouden we nu een bibliotheek noemen, zo’n huis waarin alles al lijkt geschreven te zijn wat geschreven kan worden en waar elke schrijver de moed diep in de schoenen zinkt om nog nooit iets op papier te zetten, laat staan te verspreiden. 

Silje zal worden opgesloten in een gebouw met één venster, door het venster zal ze zien dat de tafelgasten in het gebouw aan de overkant pas nu zijn gekomen en in de eetzaal hebben plaatsgenomen, alsof ze erop hebben gewacht dat Silje gevangen genomen zou zijn en daarna de kust veilig. 

Silje zal zien dat ook Ole gevangen is genomen, dat zal ze zien als ze op een stoel gaat staan en door het venster diep naar beneden kan kijken, daar is Ole, in een soort kooi – alsof Ole ook maar voor ooit iemand gevaarlijk zou kunnen zijn. 

Zo zal het gaan. Of niet. Wie mijn boek kent weet dat het ook anders kan gaan. We zullen zien. Bereid u zich in elk geval voor. Dinsdag, de welgetelde derde dag van de week, wordt het uw dag. De dag waarop u de schellen van de ogen zullen vallen.

Is getekend,

Åsne Seierstad, journaliste, freelance