Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(16) Adem-be-ne-mend. Silje stopt met ademen en kijkt haar ogen uit, ze is nog nooit in een kasteel geweest. (Of, nou ja, in haar fantasie wel natuurlijk: kasteel Zweinstein bouwde zij samen met Harry, dé Harry, eigenhandig op, legosteentje voor legosteentje, eindeloze uren, zonder bloed of tranen, maar wel met veel zweet, hoe meer duistere kamers hoe spannender, want het gekke was ook dat er steeds iets niet klopte: óf de tekening klopte niet óf jij lette niet goed op, maar hoe groter het kasteel hoe onmogelijker de kans van slagen dat het ooit een keer tot de laatste steen af en over zou zijn – als was Zweinstein bedoeld als een nieuwe ruïne, met meer schaduw dan licht, en meer hoeken en duistere plekken dan muren, ‘als een plaatje bij het leven’ zei de meester toen je erover vertelde – en ja, natuurlijk, op school hadden ze in de kelderbibliotheek (een bibliotheek die eindeloos veel groter leek dan de school zelf, een die zich leek uit te strekken tot onder half Oslo), daar hadden ze ook een rijtje Kafka staan en in dat rijtje was één boek altijd afwezig, dat was Het slot (Das Schloss, schreef Kafka in zijn taal), dat boek zat eigenlijk altijd in jouw tas en je las erin omdat je niet begreep wat je las, dat kwam je alleen bij Kafka tegen en je begreep dat hij het leuk vond om zo te schrijven, hij wist niet wat er na een komma zou komen, precies zoals je niet weet wat er zich om de hoek schuilhoudt. En o ja, wat de meester eens vertelde, over doctor Faust, dat hij in Nederland logeerde in het kasteel van Waardenburg in de buurt van slot Loevestein van Hugo de Groot die ontsnapte in een boekenkist – wie zou dat niet willen!, en jullie zouden daar ooit een keer naartoe willen gaan, jij en je moeder, op vakantie in Nederland, en dan ergens in de buurt van dat kasteel van Faust kamperen, en je droomde er al over.)
Maar een écht kasteel – wow! De geur van oude stenen is bedwelmend, de vloer waarop je loopt lijkt als een zee zo ongelijk, en het dak boven je hoofd onttrekt zich aan je ogen, want het is daar zo donker als een hemelnacht zonder sterren. Prachtige hoge toortsen langs de muren staan te flakkeren met een eeuwige vlam. Silje volgt vrouwe Petronilla op de voet en via een wenteltrap komen ze op een schuin aflopende verdieping die ze dwars oversteken via de richels in de vloer die als drempelige traptreden volmaakt parallel zijn aangebracht. Petronilla slaat geen richel over en als een balletdanseres gaat ze snel en sierlijk voor Silje uit. Silje is minder snel, want zij heeft ongelukkigerwijze een boek onder haar arm geklemd – nog altijd, en het is alsof het boek zich aan haar vastklemt of vastklampt, want zelfs tijdens de woeste rit op Abhaya op weg naar dit kasteel werd het niet weggeslingerd in een peilloos diep zoekraken tot waar niemand het ooit nog zou vinden, maar ging het hoe dan ook met Silje mee, haar boek, hun boek, het boek, dit boek.
Op een kruispunt van gangen komt een klein mannetje hen tegemoet. Hij maakt zo’n diepe buiging voor Silje dat hij bijna omvalt. Dag der dagen, zegt hij, wat een geluk u als prinses te verwelkomen in dit paleis van deugden en ondeugden, en hoewel dit kasteel geen paleis is, noem ik het toch een paleis omdat ik u hier nu op dit eigenste moment mag tegenkomen en welke eer heb ik met u van doen te hebben? Petronilla zegt lachend tegen Silje, hij bedoelt dat hij graag wil weten wie je bent en hoe je heet. O.., zegt Silje, ze aarzelt even, wie is dat mannetje eigenlijk, een kwaadaardige trol misschien? Met één oog kijkt hij heel vriendelijk, maar het andere oog lijkt onophoudelijk te knipogen met een rare flikkering.
Silje zegt: Dank u wel voor uw beleefde vraag, ik zal de vraag in overweging nemen, ik zal de vraag meenemen in mijn overleg met belangrijke personen op later tijdstip en u zo spoedig mogelijk van antwoord voorzien. Altijd beleefd blijven, leerde haar moeder haar. Wie je ook tegenkomt. Maar als ik ook vragen mag stellen: wie bent ú, als ik vragen mag, als u ook bereid bent tot antwoorden. – Hihahihaho, grinnikt het mannetje op een grappig hikkende manier, maar natuurlijk. Petronilla knikt, ze fluistert Silje in haar oor: het is onze nar, hij wil beste vrienden worden.. Silje steekt haar hand uit en het mannetje kust haar wijsvinger en zegt: De hand naar mij uitgestoken is mij tot groot genoegen, dat ik u vaker ontmoeten zal is mijn hoop, nu ik het geluk had al één vinger van uw edele handen te begroeten – en nee ik ben niet zoals de normale mensen, die geef je één vinger en dan nemen ze de hele hand, Hihahihaho, ja zo heet ik, zo is mijn naam, zo noemt men mij, tot vervelens toe, tot vergetens toe, mijnerzijds! van mijn ware allermooiste naam, tot verdriet mijner moeder en ook mijner vader die ook mij een naam gaven opdat ik naam zou maken als al die andere grote mensen, maar ik bleef klein, en mijn naam doet er dus niet toe… (de laatste woorden zegt het mannetje met een snik, hij huilt er een beetje bij: twee tranen, eerst één uit het vriendelijke oog en daarna één uit het flitsende oog).
Silje knikt begrijpend. Ik probeer u te begrijpen, zegt ze. Prompt laat de nar zich op de grond vallen, voorover, en doet een aantal push-ups. Wanneer gaat u weer weg, vraagt hij. Dan kan ik u misschien nog tegenhouden als ik nog niet zou weten hoe u heet!, om over u met naam en toenaam, bijnaam en koosnaam, te dromen of te zingen! en de roem van uw schoonheid voor aller oor te bejubelen!, en ja noemt u mij ook maar! wanneer u maar wilt! bij zon of bij maan! bij mijn naam, Hihahihaho!
















