Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(15) In Oslo hebben al deze dingen plaatsgevonden, en niet alleen hier, maar ook daarbuiten. De stad is nu duurzamer dan ooit en volledig autovrij, zelfs de elektrische auto’s zijn verbannen – niet dat ze niet mooi genoeg waren, ze droegen heus wel bij aan de schoonheid van de stad (in dubbel opzicht dus), maar de berg afgedankte accu’s was door de jaren heen zo gegroeid dat de zon zich ervoor achter de wolken leek te willen verschuilen. Het lijkt lang geleden dat de straten gevuld werden met auto’s en benzinedamp. Toch is de transitie behoorlijk snel gegaan. Eigenlijk binnen twee decennia. In 2002 schreef ik mijn boek ‘De boekhandelaar van Kaboel’ en nu is het 2022. Ik zou Åsne Seierstad niet zijn als ik niet juist nu dat boek een vervolg zou geven. De titel heb ik al: ‘De boekhandelaar van Oslo’ en mijn hoofdpersonage is natuurlijk Nemo. Aanleiding is de geschiedenis die eerst een gerucht was, maar nu van mond tot mond gaat – ja, het geval is meer dan een verhaal, het is een geschiedenis; het schijnt waargebeurd te zijn, en als dat toch niet zo zou blijken te zijn, dan is het nóg onze geschiedenis, omdat het onze harten veranderd heeft, wat zeg ik, onze stad veranderd heeft. De vermissing van Silje is nog dagelijks het onderwerp van gesprek in onze cafés en kulturhusen. In onze kranten, in alle kranten die we hebben, verschijnt nu twee keer per week de feuilleton over de inmiddels bekendste personen (of personages) van Oslo, Jon R. en Silje de Koning. Wie de schrijver is of de schrijvers zijn, blijft nog gissen, er doen wel namen de ronde. In ieder geval is een aantal pseudoniemen bekend: de hertogin, Judith, de hertog en Leendert. De krantenredacties die Oslo rijk is, vroegen mij dit intermezzo te schrijven, vooraf aan het vervolg van de feuilleton. We willen tenslotte een klein beetje grip houden op de situatie. Ik houd u graag op de hoogte van de ontwikkelingen. – Åsne Seierstad, journaliste

Silje kijkt nog eens goed om zich heen. Haar hond Ole zwaait met zijn staart. Dit zou Oslo moeten zijn. Ze herkent de huizen, maar de straten niet. Wat ze ziet zijn groene lanen en de huizen staan tussen de bomen. Vroeger stonden de bomen voor, achter of naast de huizen, dat kan ze zich nog maar al te goed herinneren. Het lijkt nu onmiskenbaar totaal anders. Het bos lijkt de stad te hebben overgenomen. Zelfs de straten/lanen hebben geen namen meer. Aan een boomtak ziet ze een houten bordje hangen, er staat op: De Groene Stad is ook mijn stad. Silje’s mond gaat langzaam open en dicht, ze ademt in en uit als een vis zou je willen zeggen, maar je zegt het niet, want je wilt luisteren naar wat Silje gaat zeggen, àls ze iets gaat zeggen. Dit is Oslo, wat heeft hier plaatsgevonden is niet de juiste vraag. De vraag die op onze lippen brandt is: Wannéér heeft dit alles plaatsgevonden? Dit is Oslo. Met Silje die om zich heenkijkt. En met Ole, die steeds ongeduldiger met zijn staart zwaait. Als in trance bukt het meisje zich, ze raapt het boek van de grond, haar boek, hun boek, het boek van ons allemaal, het boek dat we dolgraag willen lezen, zo graag als Silje dat wil, en zo graag als Jon dat ook wil, weet ze – en Ole? Zou Ole weten wat er in het boek staat? Zou hij zelfs de enige kunnen zijn die kan weten wat erin staat? Silje kijkt naar Ole, ze wil iets zeggen. Maar wat valt er eigenlijk nog te zeggen als je alles begrijpt? Ze schudt haar hoofd. Wat ze doet is het boek openen. En ze leest. Terwijl ze daar staat, zo tussen de bomen, en tussen de bomen de huizen, en tussen de huizen geschiedenis, voorbije tijd en nieuwe kansen, leest ze over een ridder die een moedige dame is, een madam, een domina, een heldin met de naam Petronilla – een die moediger is dan alle ridders sinds de Middeleeuwen. Deze ridder wil elke stad tot groene stad maken, en de bomen zijn haar bondgenoten. Deze ridder gaat de wereld vernieuwen, maar ze kan het niet alleen. Ze heeft heldhaftige handlangers nodig, criminelen die alleen dit op hun kerfstok hebben dat ze het geld van de rijken naar de armen sluizen, en ze bezoeken de machtigen zo met angstdromen dat die machtigen niet meer misbruik van hun macht durven maken.

Silje leest dat deze ridder naar hen op zoek is. Dat deze ridder tevreden zou zijn met slechts één jongen of meisje zo moedig als zij… Ze slaat het boek dicht. Kom Ole, zegt ze (of ze zegt het niet, ze denkt het, waarom nog dingen zeggen als je alles begrijpt?). Ze loopt naar het eerste huis waar de bomen haar naartoe lijken te leiden. Ze belt aan, staart naar de deur en wacht. Als ze nog een keer wil aanbellen is de bel er niet, als ze nog een keer naar de deur wil staren is de deur al open. Ze stapt naar binnen, maar staat op hetzelfde moment weer buiten. Ole is haar niet gevolgd. Ze hoorde hem één keer blaffen. Er is gevaar. Ze kijkt snel om zich heen. Dan ziet ze wat haar bedreigt. Er valt een schaduw over haar. En nog één. En nog één. Kort na elkaar. Drie roofvogels scheren over haar hoofd. In de verte klinkt een sirene.