Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(14a) Ondertussen staat Jon als aan de grond genageld. Met grote ogen kijkt hij naar de ridder, naast zijn paard, met een speer in zijn rug. De speer lijkt eigenaardig heen en weer te zwiepen… tot hij omvalt. Jon schrikt ervan en daardoor kan hij zijn blik losmaken van het bizarre tafereel. Hij kijkt opzij naar Thomas, die nog met een boze blik naar buiten staat te kijken. Maar zijn blik verandert langzaamaan naar… ja, naar wat eigenlijk? Vertwijfeling? Schrik? Jon kan het niet goed plaatsen. Maar dan realiseert hij zich ineens dat hij Silje kwijt is. Hij kijk linksom… rechtsom en dan draait hij op z’n hakken een heel rondje. Maar hij ziet Silje nergens! Jon roept haar naam, Silje! Maar hij krijgt geen reactie. Hij voelt paniek opkomen, het begint diep van binnen en borrelt zich een weg omhoog. Thomas, wat is er gebeurt? roept Jon.

Thomas kijkt Jon aan met een indringende blik. Kom op, we moeten nu naar buiten. Daar ligt een gewonde ridder, die heeft onze hulp nodig, zegt de monnik. Jon voelt er weinig voor om naar buiten te gaan, om deze plek te verlaten waar hij zijn vriendin plotseling kwijt is geraakt. Maar Thomas pakt hem bij zijn arm en neemt hem mee, het scriptorium uit, de gangen door en de kloostertuin in. Zijn grip is stevig, Jon komt niet zomaar los als hij dat zou willen. Maar hij is eigenlijk gewoon te verbaasd om hier iets tegenin te brengen. 

Met ferme stappen loopt Thomas naar de gewonde ridder. Jon loopt mee, maar knijpt z’n ogen een beetje dicht, hij weet niet of hij er wel klaar voor is om een gewonde ridder te zien. Niemand overleeft zo’n speer in z’n rug, denkt Jon. Maar eenmaal bij de ridder aangekomen, zien ze dat hij weldegelijk nog in leven is! Thomas knielt bij hem neer en zegt, mijn beste ridder hoe heeft u dit klaar gespeeld? Zo’n speer zou u doorboord hebben, maar hier bent u, in leven!? De ridder geeft nauwelijks hoorbaar antwoord. Ik leef, ja, maar ben wel gewond, zou u zo vriendelijk willen zijn mij te helpen? Ja! Natuurlijk! antwoordt Thomas. Jon, nu moet je mij helpen. Pak jij de voeten van de ridder, dan pak ik hem onder zijn armen en zo dragen we hem tezamen naar binnen, naar de ziekenzaal. Jon voelt tranen van paniek in zijn ogen prikken, hij denkt nog altijd aan Silje die zo plots verdwenen is, maar realiseert zich ook dat deze ridder hulp nodig heeft. Dus tilt hij de voeten van de ridder op, Thomas pakt hem onder z’n armen en samen lopen ze, onder aanwijzingen van Thomas naar de ziekenzaal.

Eenmaal in de ziekenzaal leggen ze de ridder op een van de ziekenbedden. Thomas haalt eerst voorzichtig de helm van het hoofd van de ridder. En slaakt dan een kreet van schrik. Nee maar!? roept hij. Samen kijken ze naar de ridder in het ziekbed en zien een van pijn vertrokken gezicht… maar het is een prachtig zacht gezicht omlijst met prachtige lange rode haren… de ridder blijkt een vrouw!? Jon, we zullen een van de diaconessen moeten halen, wij kunnen haar niet verzorgen, een vrouw hoort deze dame te verzorgen. Hij maakt een klein buiginkje naar de ridder, pakt Jon weer stevig bij zijn arm en neemt hem mee de ziekenzaal uit. 

Terwijl Thomas ervoor zorgt dat een van de diaconessen uit het nabijgelegen klooster hen kan komen helpen, bedenkt Jon koortsachtig hoe hij van hier verder moet. Zonder Silje? Dat kan toch niet? Waar zou ze zijn? Hoe kan ze zo plotseling verdwenen zijn. En terugdenkend aan het moment dat ze met z’n allen de kloostertuin inkeken realiseert Jon zich ineens dat hij iets vergeten is. Iets? Of iemand? Ze keken de tuin in omdat… omdat ze een hond hoorden blaffen! En de hond is ook verdwenen… net als Silje? Zou het… kan het?… zou het Ole geweest zijn? Het duizelt Jon bij al deze gedachten. 

U kunt met haar spreken, zegt de diacones. Opgeschrikt uit zijn gedachten kijkt Jon de vrouw verward aan. Opnieuw pakt Thomas Jon stevig bij de arm en neemt hem mee de ziekenzaal in. Daar ligt de ridder, ze kijkt het vriendelijk aan. Dag, mijn naam is Petronilla, mijn vader was ridder Petronus. Hij is gesneuveld in de strijd en aangezien ik zijn enig kind ben, mocht ik zijn riddertaken overnemen. De speer die mij doorboord zou moeten hebben is gestopt door mijn maliënkolder, gemaakt van een bijzonder sterk metaal. Een geschenk van de hertogin aan mijn vader… Petronilla kijkt Jon ineens aan. Maar ik ben gekomen voor jou, Jon. En ook voor Silje, maar Ole heeft haar al meegenomen merk ik, brave hond. Je zult haar weldra weer zien.