Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(14) Welkom in het Scriptorium, roept de monnik. Hij is naast Jon en Silje komen lopen, en met brede armgebaren zegt hij: Dit is Ons Paradijs! En tegen jullie gezegd en onder ons gezwegen, ik ben niet jaloers op Adam en Eva, die waren de hele dag druk met aardbeien plukken en sinaasappels persen denk ik dan, prima werk natuurlijk, maar wij zijn niet geschapen om alleen maar te consumeren, wij moeten ook contempleren, over de dingen nádenken betekent dat – dus: waaróm eet je aardbeien en pers je sinaasappels? Zulks is niet alleen voedzaam, maar de mensheid wordt er ook gelukkig van, en als je je gelukkig voelt kun je met dat geluk ook anderen een beetje gelukkig maken. Ik bedoel maar, daarom is het zo belangrijk dat we over de dingen nádenken, en dat doen we hier dus, in het Scriptorium. Wij mensen zijn niet op aarde om alleen maar te slapen en te dromen en oud te worden. Wij zijn geschapen om na te denken en daarna te besluiten het goede te doen. Hij staat stil en kijkt Jon en Silje doordringend aan. En zo gemakkelijk dit nu klinkt, zo als helemaal vanzelf, zoals een goedwerkende tiktakklok, zo gemakkelijk is het niet.

Maar, maar Thomas Quartierelier, zegt Jon, dit hier, dat zijn toch BOEKEN? Jon wijst naar de vele houtkleurige ruggen van de dingen die keurig in het gelid staan op de planken zover ze kunnen kijken en er uitzien als halfvergane turf. WAARDE vriend! zegt Thomas, allereerst moet ik je helaas corrigeren, dat doet me pijn, ik ben er niet van, maar soms moet iets direct maar dan ook direct worden rechtgezet, en dat is nu dat mijn heilige tweede naam Quartier luidt en niet de verbastering die je zojuist hopelijk per vergissing op de lippen kwam. Oeps, sorry, zegt Jon, maar natuurlijk, neemt u mij niet kwalijk. De monnik kijkt opgelucht en als een kind zo blij. Dan nu je vraag! Jullie noemen dit boe-ken? Maakt niet uit, wij noemen het scripten, handgeschreven scripten, ze werden vroeger ook wel co-di-ces genoemd en nog weer veel vroeger tabletten die je kon stapelen, maar kerklatijn en oudheid is er al genoeg, dus wij monniken zeggen het zijn scripten, en dat zijn het ook, letter-lijk. Handgeschreven pakken perkament, zodat je die niet hoeft te rollen zoals dat perkamentrolboekding van jullie, maar je gewoon langzaam kunt bladeren, blad na blad, tegenwoordig zeggen we tegen elkaar blad-zijde na blad-zijde, want het verhaal ontspint zich zoals je zijde spint. En daar zijn bijvoorbeeld ook transcripten en scripties bij hé! – O echt, vraagt Silje, ik heb ook weleens een scriptie gemaakt. En meteen wordt ze een beetje verdrietig. Thomas kijkt heel verbaasd. Heb jij een scriptie gemaakt? Waar ging dat dan over? Over mijn hond, zegt Silje, en haar lip trilt nu een beetje, over Ole… 

Jon slaat een arm om haar schouders, dat was echt super tof Silje hoe je dat hebt gedaan, zegt hij. Met heel veel plaatjes en zelfs tekeningen. En dat de meester vond dat er wel meer tekst in had gemogen was echt diepe onzin. Het was echt één van de mooiste dingen die ik heb gelezen. Maar Thomas, wat staat er dan in deze boeken eh.. scripten? De monnik lacht, hij zegt: Heb je een Quartiertje? Het kost wel even tijd om dat te vertellen. Dit is ons Archief, je zou ook kunnen zeggen ons Labyrint, en wij als functionarissen van God schrijven hier alles met de hand, letter voor letter, woord voor woord, zin na zin, wat wij in de wereld opvangen aan ideeën en gedachten, aan spreuken en sproken en sprookjes, aan verhalen en vertellingen, en je kunt het eigenlijk zo gek niet bedenken of we schrijven het met de hand op, letter voor letter, woord voor woord, zin na zin. En of het nou over het verleden gaat of over de toekomst, dat maakt ons niks uit, wij vinden het allemaal even interessant en belangrijk, maar wat je niet moet vergeten: het is een Archief, dus we rubriceren ook – haha, we contempleren, weten jullie nog? maar we houden ook van rúbriceren, letter voor letter, woord voor woord, zin na zin… 

Jon luistert al niet meer, hij gelooft er niets van. Hij denkt bozig laat die Thomas maar praten want dat is waarschijnlijk het enige waar hij écht van houdt. Mag ik een script inkijken, vraagt hij. Op dat moment horen ze hard geblaf. Nee hé, zegt Thomas, weer een hond in de kloostertuin. Ze lopen alledrie naar het dichtstbijzijnde raam om naar buiten te kijken. Wat ze zien is verschrikkelijk. Er staat een paard, maar naast het paard ligt een ridder op de grond met een speer in zijn rug. En naast de ridder staat een hond te blaffen. Het wordt Silje mistig voor de ogen, want ze denkt te zien wat ze niet kán zien. Ze denkt dat ze Ole ziet. Alles om haar heen begint te tollen, de bibliotheek, de wereld buiten, ze hoort nog roepen, maar dan valt ze op haar knieën en voorover en ja dan voelt ze het al wat ze zo lang heeft gemist: het likken op haar gezicht, zijn heerlijke vacht, ze hoort zijn vrolijke blaf, ze omarmt Ole – niet in een droom, maar echt. O Ole wat heb ik je gemist, snikt ze lachend, opgetogen blij. Waar ben je toch al die tijd geweest?!

Ze veegt met een hand haar tranen weg en kijkt om zich heen. Waar zijn Jon en Thomas nu? Ze staat aarzelend op. Voor haar voeten ligt een boek. HET boek. O Ole, heb jij ons boek gevonden?!!!