Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.

(13) Jon en Silje staarden met open mond de monnik aan. Hij knikte eens, en las toen verder voor uit wat aan het slot van de perkamentrol was neergeschreven: “Zo… min baeste Hertog Leendert, nou moett ge me tochs erst es ff vertalen hoe ge er zo bijeengekomen bent hom de kinders nhaar den 14e eeuw toe te sturen?” De monnik keek op van de rol en nam Jon en Silje nog eens van top tot teen op, qua lengte waren ze merkwaardig groot, in de Middeleeuwen zijn wij bescheidener dacht hij, niet zo buitengemeen uit de kluiten gewassen – maar wat hij nu aan de poort had staan kwam misschien niet uit een andere tijd maar van een andere planeet? Hij vond het allemaal maar raadselachtig. Maar nou ja, zo gewend hij was aan de grappen van de goede God, haalde hij zijn schouders op en las weer hardop verder: “Want ge kunt dezen zoektochtelijkheid naar hunner boek [vreemd woord, lastig uit te spreken, wat is het? een ding? een dier? nog nooit van gehoord, misschien moest hij het anders uitspreken? bo-ek?] naar hunner bo-ek wel lastigh phroberen te maken, maar zo dan vinden we zelfh ook never de uitgangh he?” De monnik sprak nu met stemverheffing, want hij voelde aan dat er een climax in de woorden zit, zoéén die nogal uniek is, zo anders dan bij de heilige teksten der vaderen, dit zal toch waarachtig nog eens eindelijk geschreven zijn door ener moeder der kerk! En dóór moest het: “En ikmijzelf vindh het echtt niet ergh hoor om zo dan te dwhalen in al die verdraaidverschillende verhalen hen onderdeelend te zijn van dith verhaalende en den lezers te vermaken haha, maar wie weett wat er hallemaal in de echtte whereld gebeurtt? Whordt er van ons, dominee-s [???], nhiet verwachth dat we ook heen beetje bij de tijd zijn en hop de acthualiteiten in kunnen sphelen enzo?”

Wat zijn dominee-s? vroeg de monnik. Jon en Silje waren sprakeloos. De monnik zei: Wij hebben gewone hertogen en hertoginnen, maar zulke die ook dominee-s zijn? Nog nooit van gehoord, maar ik ben bang voor nieuwe ziekten, laten we hopen dat het zoiets betekent als dat mijnheer de hertog en waarschijnlijk de schrijvende mevrouw de hertogin beiden willen domineren, en zich daarom dominee-s noemen. Maar mijn vraag aan jullie is natuurlijk: Hoe komen jullie aan deze perkamentrol? Silje was de eerste die weer kon spreken. Eh ja meneer de monnik, dat ging zo, er.. – Noem mij niet meneer de monnik, wij in dit leven noemen elkaar bij de naam, en die naam hebben mijn ouders steeds voor mij herhaald opdat ik die naam niet zou vergeten, en sinds ik lezen en schrijven kan, kan ik mijn naam ook spellen, zouden ook jullie kunnen lezen en schrijven – maar dat komt niet voor op jonge leeftijd, daarvoor is geduld en vlijt en meeste vrijheid nodig – dan zou ik jullie de sierlijkheid van mijn naam tonen, maar onthou, mijn naam is Thomas, en sinds ik monnik ben heet ik Thomas Quartier – die tweede naam heeft natuurlijk een eigen betekenis, maar die moet mij nog geopenbaard worden. Silje en Jon knikten. Silje zei: Eh Thomas Quartier, het ging dus zo, ik zou het u uitleggen, dat wij per autokoets vervoerd werden.. Jaja, zei Thomas, die kennen we, die brengt de post rond.. Nou, zei Silje, en toen dacht ik op een bord te kunnen lezen: Welkom in de 14e eeuw, maar het zal een droom geweest zijn, want zoals wij nu nog kinderen zijn, kinderen die niet schrijven of lezen kunnen, hebben we aan zo’n bord weinig – er had ook kunnen staan: Tot ziens of zoiets. Maar goed, we waren dat bord nog maar net voorbij, of er scheerde een enorme vogel over ons heen, zo groot als een mens, dus een vogelman of -vrouw, en die liet zo tussen ons in die rol vallen, en hij of zij liet nog een paar schorre geluiden horen die klonken als lhees lhees… Dus Jon en ik zeiden tegen elkaar dit kan niet toevallig zijn. We konden ons moeilijk voorstellen dat dit bij elke autokoets wel een keer gebeurt. Dus we zeiden tegen elkaar we moeten iemand zien te vinden die lezen kan. En toen hebben we de eerste beste afslag genomen naar dit klooster en bij u aangeklopt.

Meneer de monnik, eh Thomas, eh Thomas Quartier, kunt u ons helpen? Op dat moment had ook Jon weer zijn tong gevonden die hij verloren was. Thomas Quartier! zei hij, ik heb ooit in een ver verleden of was het toekomst geleerd dat kwartiermaken zoiets betekent als zorgen voor verblijf, u MOET ons helpen! De monnik keek blij verrast. Jongen, zei hij, jullie zijn een geschenk uit de hemel, zou dát inderdaad mijn naam betekenen?! God zij geloofd, zingend geprezen! Ja, we leven in een vreemde verrassende tijd, deze eeuw tussen alle andere eeuwen is nog net van deze tijd, maar bereidt zich voor op wat komen gaat, zoveel is zeker. Dit is de eeuw van de pest, de Zwarte Dood genoemd, ook de eeuw van wreedheid, bandietenbenden trekken rond, en de idealen van ridderlijkheid zijn er bijna niet meer, maar we hebben ook Chaucer en Petrarca, hoofse liefde en pikante verhalen, rijkdom en bezieling… Kom mee naar binnen! Ik heb cacaobonen gemalen en zal jullie laten proeven van iets verrukkelijks. Ik heb het iemand in een vreemde nieuwe taal cho-co-lade horen noemen!