Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.

(26a) Ze gooide haar hoofd achterover en liet een schaterlach horen. Ze legde het kostbare perkament op het royale bureau voor haar en keek geamuseerd naar de jongedame en de jongeman die voor haar zaten. Ze buigt voorover, slaat haar armen over elkaar en zegt, ‘jullie zijn er sneller dan de post van hertog Leendert van het Noordrijk, maar gezien zijn schrijven heeft hij het allemaal helder voor ogen. Wat een brieven kan deze man toch schrijven, het zijn kostbare parels om te lezen, te bewaren en te herlezen. Fantastisch gewoon!’

De twee jonge mensen voor haar zitten er wat verkleumd en verstrooit bij. Ze kijken eens naar de vrouw voor hen, die aan hen voorgesteld werd als hertogin Judith van het Zuidrijk. Ze draagt ook een prachtige blauwe jurk, blauw ja… als water, lijkt het wel. En ze zit op een prachtige stoel, gemaakt van hout en prachtig versierd met van hout gemaakte waterlelies, en bekleed met het allerzachtste witte pluche. De stoel staat achter een enorm bureau, ook van hout gemaakt en helemaal bewerkt met prachtige uit het hout gesneden taferelen. Als ze de tijd en de rust zouden hebben, dan zouden Jon en Silje (want ja, die twee jonge mensen zijn Jon en Silje) de verschillende taferelen hebben bestudeerd, maar nu hebben ze er gewoonweg de aandacht niet voor. Ze kijken naar elkaar, nog altijd gekleed in de wonderlijke kleding die de kapitein van het schip de Tempus Pontis hen gaf. Jon in zijn vederzachte duikpak en Silje in haar prachtige blauwe japon. Na hun avontuur in het water en op het schip zijn ze nu weliswaar weer droog en warm, maar ze voelen zich nog altijd nat en koud alsof ze net uit het water gevist zijn. Alsof ze nog niet beseffen dat ze uit het water gered zijn en dat er alweer een nieuw avontuur begonnen is. 

Achter hen staat de kapitein van de Tempus Pontis, een vrouw, een moedige dame, een madam, een domina, een heldin die moediger is dan alle ridders sinds de Middeleeuwen. Een eigenzinnige kapitein, met eigen plannen voor de wereld, maar eentje die aanpakt wat er vlak voor haar neus opdoemt. Ze grinnikt een beetje door de schaterlach van de hertogin, lachen werkt nou eenmaal aanstekelijk. Hoe was het ook alweer? Als je lacht dan maak je dopamine en endorfinen aan, deze stofjes in je lichaam zorgen voor gevoelens van blijdschap en genot, pijn verdwijnt en je voelt je gelukkig. Tja, vandaar het motto van de hertogin ‘een dag niet gelachen is een dag niet geleefd…’. De hertogin kijkt op naar de kapitein. ‘Nou, kapitein Petronilla, u hebt vandaag een mooie vangst binnen gebracht! Wie had dat gedacht…’ Ze denkt even na en gaat dan verder, ‘mijn waarde Petronilla, wat, vindt u, zou het best nu onze volgende stap zijn?’ Enigszins beduusd kijkt kapitein Petronilla naar de hertogin, ‘vraagt u mij nu om advies, o edele vrouwe?’

Opnieuw die schaterlach. Ook Jon en Silje grinniken er van mee, ondanks dat ze nog helemaal geen idee hebben van wat ze nu van deze situatie moeten vinden? Is wat hier nu gebeurt positief of negatief voor hen? ‘Mijn lieve Petronilla’, begint de hertogin, ‘maar natuurlijk vraag ik u om advies! U, met uw prachtige plannen om de wereld te verbeteren, U, die op zoek bent naar heldhaftige handlangers… we weten allebei toch wel dat zich in deze ruimte minstens twee van die mogelijke handlangers aanwezig zijn?’ En met een vrolijke knipoog kijkt de hertogin naar Jon en Silje. ‘En tegelijkertijd weten we ook dat die allervriendelijkste hertog Leendert van het Noordrijk ook op zoek is naar hen, net als ik…  Het zou toch zeer onrechtvaardig zijn als we de hertog niet zouden antwoorden op zijn prachtige schrijven dat hier op de tafel in ons midden ligt. We moeten hem op z’n minst laten weten dat Jon en Silje hier zijn, dat zou wellicht wat rust kunnen schenken aan zijn chaotische ziel.’

Petronilla laat een diep zucht horen ten teken dat ze hier ook even over na moet denken. Dan schraapt Jon voorzichtig zijn keel. Aangezien hij geen enkele dreiging voelt in deze situatie besluit hij zich in het gesprek te mengen. ‘Beste, en zeer gewaardeerde, uh… kapitein en hertogin? Of nee… uh, hertogin en kapitein? Is het misschien, uh…, mogelijk dat u ons iets meer vertelt over waar we zijn en hoe we hier zijn en, uh… hier zijn gekomen?’ Opnieuw die schaterlach, hij klatert als een heldere fontein door de ruimte. ‘Maar natuurlijk, lieve Jon en Silje, dat lijkt me heel redelijk. Jullie zijn toch zo’n beetje de spil in al deze verhalen? En jullie zijn immers degenen die hertog Leendert als eerste, en daarna ook ondergetekende, jullie verhalenavonturen in hebben getrokken. Kunnen jullie je het nog herinneren?’