Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Judith Visser.
(3a) Nog een keer kijken Jon en Silje om naar de deftige dame. Dan kijken ze elkaar aan en besluiten tegelijk om zich te richten op de Kleine Uitnodiger, op Nemo.
Ha-i, ik ‘en Nee-mo. Zein jul-lie er kelaar voor? zegt hij nog eens en kijkt hen vriendelijk aan. Of we er klaar voor zijn? roept Jon met enige paniek in zijn stem, waarvoor dan? En wie ben jij dan? Waarom lijk je zo op mij? He, wat klets je nou, zegt Silje, hij lijkt helemaal niet op jou, zij lijkt op mij! Vol ongeloof kijkt Jon Silje aan.
Silje besluit maar eens het voortouw te nemen. Zeg, lieve Nemo, zegt ze, klopt het dat je op ons allebei lijkt? En hoe kan dat dan? En wat is nu de bedoeling, hoe gaan we verder?
De Kleine Uitnodiger zet opgelucht zijn/haar kerstmuts eens recht en steekt van wal. Het klopt inderdaad dat ik op jullie allebei lijk. Het is maar net wat je wilt zien, leuk he? Dat noemen ze nou een optische illusie, een bijzonder samenspel tussen je hersens en je ogen. Je ziet iets en dat roept een verkeerde reactie op in je hersens. Onze hersens hebben in de loop van vele jaren allerlei systemen ontwikkeld om onze ogen te helpen. Een heel bekend voorbeeld is dat ene plaatje waar je zowel een meisje als een oude vrouw in kunt zien. Als je eenmaal het meisje of de oude vrouw hebt gezien is het verdraaid lastig om de andere figuur te zien in het plaatje. Nemo stopt even, haalt eens diep adem en kijkt Jon en Silje blij en verwachtingsvol aan.
Ja maar, zegt Jon, hoe kan het nu ineens dat je zo mooi en duidelijk praat? Terwijl je net nog sprak als een vriendelijke robot? De Kleine Uitnodiger kijkt teleurgesteld en zegt op zijn vriendelijke robotmanier: bo-eken- ke-nnis…
Na enig nadenken zegt Silje ineens met grote ogen: oooh, lieve Nemo, ken jij werkelijk waar alle boeken die we hier in dit huis, in jouw bibliotheek kunnen vinden? Oooh, ja natuurlijk, zegt ook Jon nu, daarom ben jij de Kleine Uitnodiger die de mensen in jouw bibliotheek uitnodigt en ze de weg wijst in alles wat hier staat!
Blij dat ze dat in ieder geval begrijpen knikt Nemo zo heftig dat de kerstmuts er van klingelt. Maar toch, Nemo, hoe kan het dan dat we jou allebei zien alsof we in een spiegel kijken? vraagt Silje nog eens. Nemo kijkt de beide kinderen geheimzinnig aan: D’t kom-t l-ate-r! En hij/zij draait zich om en loopt de bibliotheek in. Jon en Silje kijken elkaar aan en bedenken zich geen moment, gauw gaan ze achter Nemo aan. Ademloos kijken ze om zich heen, wat een boel boeken!? Ze komen in grote lichte zalen, met boekenkasten die je moet beklimmen met een ladder en ze zien ook kleine donkere kamertjes, verlicht met een enkel kaarsje, met boeken die er wat duister uitzien. De kinderen kijken hun ogen uit.
Nemo kijkt eens achterom, om er zeker van te zijn dat Jon en Silje er nog zijn. Je weet immers maar nooit met zulke eigenwijze kinderen die zomaar in de bibliotheek komen zonder enige voorkennis. Ah, hier is het! Ze komen in een gezellige warme kamer, zo eentje met een knappend haardvuurtje, een schoon geschrobde tafel en… slechts een enkel boek op de tafel? Vragend kijken Jon en Silje van het boek naar Nemo en weer terug. Nemo wijst naar het boek: le-es maa-r.
Jon en Silje gaan aan de tafel zitten, kijken elkaar aan en Silje is de eerste die het boek aanraakt. Ze pakt het op, bekijkt de buitenkant van het boek eens goed. Er staat geen titel op, geen korte samenvatting, niets. Ze slaat het boek open op de eerste bladzijde. He, dat is vreemd, er staan slechts twee zinnen in:
– O denneboom, o denneboom, wat zijn je takken wonderschoon!
– Stille nacht, heilige nacht, Davids Zoon, lang verwacht…
En Nemo zegt: ki-es m-aar!

















