Elke week twee keer domineespost als flessenpost op deze site, op dinsdag en vrijdag: een feuilleton van de twee Veense dominees Judith Visser en Leendert van der Sluijs. Een vervolgverhaal dat met een briefwisseling begon… Vandaag schrijft ds. Leendert van der Sluijs.
(3) De vrouw schudt langzaam haar hoofd. Nee, zegt ze, ik kan jullie niet helpen. Nee, en ze loopt langzaam terug naar de stoel achter het enorme boekenbureau. Jon en Silje kijken elkaar aan, in hun ogen 2×2 vraagtekens. Nee, zegt de vrouw met iets van een snik in haar stem, dit is Oslo… Ze lijkt kleiner dan ze was als ze weer zit, en haar razende typen vervolgt. – Jon heeft zoveel vragen dat het hem duizelt. (En dat duizelen is nu al de tweede keer, de tweede in korte tijd, eerst al door die duikelbamdoiing tegen de tafel met het chocoglas dat de huppel op de vloer niet overleefde (gelukkig begon ze daar niet over, zoals zijn moeder zou doen: ruim je wel even die glassplinters netjes op? – misschien heeft ze die klap niet gehoord?)) Wie is zij? En waarom wil zij niet helpen, wil ze niet zeggen waar hun ontdekkingstocht beginnen moet? Hij kijkt naar haar razend tikkende vingers en ziet iets vreemds, de vrouw heeft maar negen vingers, of hij ziet maar negen vingers tikken, dat kan ook. Met een schuin oog kijkt hij naar een papier dat naast de typemachine ligt. Hij leest: In de stad Oslo deden Jon en Silje in het jaar 2021 de vreemdste ontdekking die… Huh??!! Hij houdt het niet meer uit, met de stem van zijn vader vuurt hij zijn vragen op haar af: Weet u wie ik ben! En weet u wie Silje is! En die blauwe jurk van u hebt u die afgekeken van die man met de blauwe mantel achter de piano die de vriend van de professor is in het boek Aan de andere kant van de deur van Tonke Dragt, u weet wel dé Tonke! Maar wie bent ú? als ik vragen mag. En hoe heet dit huis, als ik dat ook vragen mag! En en.., waarom typt u met negen vingers, maar dat niet alleen, waarom typt u met negen vingers over ONS?!.. Ennnmmbbdd
Het is Silje die hem de mond snoert door sneller dan snel een hand op zijn mond te leggen. De vrouw is één en al oog geworden, ‘alleen maar oog’ betekent dat, Silje is de eerste die het ziet. Bij Jon wordt het altijd een beetje mistig als hij zijn vragenkanon afvuurt (Silje weet dat), langzaam ziet hij nu ook weer helder. Uit het oog valt een traan… en de traan valt precies op de T van typemachine, op de T-splitsing van die letter dus en kiest voor linksom, naar de bedding ergens in het donker tussen twee schoenen. Zodra de traan weer armen heeft en handen en ook een hoofd die die armen en handen kan commanderen, begint de vrouw te praten. Dit is Oslo.., zegt ze opnieuw. Maar om bij je eerste vraag te beginnen: ik weet niet wie jij bent, jongen – jongen, wie ben jij? Jon fronst zijn wenkbrauwen. Hij zegt ja dit is Oslo en ik ben de burgemeester, dat zegt mijn vader altijd: jij bent de burgemeester van Oslo, mensen met zulke ideeën daar zit de wereld op te wachten, maarrrr als u niet weet wie ik ben hoe komt u dan aan mijn naam! En ook de naam van Silje hebt u daar zitten tikken en weet u wel wie zij is?! – De vrouw schudt kort bedroefd haar hoofd. Silje is de prinses van Oslo, roept Jon. De prinses? Ja de prinses! Haar vader heet De Koning en mijn vader zegt altijd meneer De Koning is zijn huis aan het verbouwen, een beste buurman van drie huizen verder maar wij kunnen er van mee genieten, ennnmmbbdd.. Silje weer, met haar hand. En ze zegt heel zacht: maar wie bent ú? En hoe heet dit huis? En nog zachter: en die vraag over die negen vingers die hoeft u heus niet te beantwoorden..
De vrouw glimlacht nu gelukkig weer. Ze zegt: ze noemen mij Virginia Woolf. Kennen jullie dat toneelstuk? ‘Wie is er bang voor Virginia Woolf?’ Is verder niet zo belangrijk hoor, maar vergeleken worden met Woolf alsof ik zelf in eigen persoon haar enorme schrijversdagboek zou hebben geschreven, já, dat is hoe het moet zijn! Maar nu je volgende vraag: hoe dit huis heet? Dit huis heet zoals het altijd heeft geheten en het heet dus Kapitein Nemo’s bibliotheek en mocht je hierover meer willen weten behalve dan dat jullie willen ontdekken waar dit allemaal toe leidt, raad ik aan dat boek van Per Olov Enquist uit Stockholm van de plank te pakken waarop de naam van dit huis als titel staat. Kun je het zo gauw niet vinden, vraag het dan even aan de Kleine Uitnodiger die nu ook is gearriveerd.
Jon en Silje draaien zich tegelijkertijd om. In de opening waar eens de deur was staat een jongen, hij heeft een kerstmuts op en hij lijkt als twee druppels water op Jon. Hai zegt hij, ik ben Nemo. Hij zegt het met een raar accent, het klinkt als pianospel: ha-i, ik ‘en Nee-mo. Eigenlijk precies zoals een robot praat, maar niet koud, echt heel vriendelijk. Hij zegt: zein jul-lie er kelaar voor?
Inmiddels is de razende typemachine weer opgestart. De weer heel deftige dame heeft weer krullende mondhoeken, precies zoals op het moment dat Jon en Silje haar voor het eerst zagen. Ze zingt nu: Met negen vingers typ je drie keer drie, en drie keer drie heeft elke driehoek, je hebt wel links en rechts en onder, maar nooit een boven, want boven is de punt.

















