Kantine icoon draagt keuken over.
NIJKERKERVEEN – Na vele jaren trouwe dienst is de tijd aangebroken dat afscheid moet worden genomen van de oude kantine van Veensche Boys. Krakkemikkig tot in alle poriën, maar ondertussen was het wel het gezelligste clubhuis uit de regio. Daar kan geen nieuw gebouw wat aan veranderen. Tegelijk betekent dit ook een beetje de afbouw van kantine-icoon Abrie Schuurman die bijna dertig jaar de scepter zwaaide bij Veensche Boys. Per 1 juli heeft ze de kantine overgedragen aan Bert en Teunie Veer en helpt ze alleen nog op de zaterdagmorgen en zondag mee.
Door Kees van den Heuvel
Lief en leed is gedeeld in de kantine van Veensche Boys. Er ontluikten liefdes, trouwe leden werden in het zonnetje gezet, maar er was ook tijd voor rouw. Abrie en haar dochter Annet hebben zelfs een keer de deuren van het complex open moeten zetten toen wijlen Manus van den Brom met lijkkist en al naar de middenstip werd gereden. Ook het overlijden van Dennis Janssen was zeer indrukwekkend. Dan komt de saamhorigheid boven.
Abrie startte circa dertig jaar geleden achter de toog bij Veensche Boys. Ze was gevraagd door haar zwager. Daarvoor werkte ze bij de patatzaak van Cor van der Vliert. Het werk in Nijkerkerveen beviel haar goed en van lieverlede werd ze het visitekaartje van de kantine. Met veel mensen is samengewerkt zoals Johanna Duinkerken, Gert van Drie, Wil Plaggenhoef en Gert van de Vis. Binnen de muren van de kantine hebben zich veel dingen afgespeeld. Abrie: Ik heb wel eens gezegd: Als ik stop, dan kan ik een bijbel volschrijven over wat ik heb meegemaakt in de kantine. In de nok van het dak klimmen, is bijvoorbeeld zo’n traditie. Bij iedere feestavond zaten ze wel in de balken. Die balken zullen ze nog wel missen in de nieuwe kantine.’
Fameus zijn de gehaktballen van Abrie. Bij peilingen van clubs uit Nunspeet en Apeldoorn eindigden de rondgedraaide vleeslekkernijen steevast bovenaan in de smaaktest. Wat is toch haar geheim? Abrie: Niets bijzonders. Ik doe er gehaktkruiden in en ik doe er een schep sambal in. Ik draai de ballen inderdaad zelf. Bert en Teunie willen de ballen nu kant-en-klaar laten komen. Dan houdt het op.’ Dochter Annet valt haar bij: ‘Ook de satésaus maakte ze nog ouderwets zelf.’
Abrie Schuurman: Het is er altijd gezellig. Hoe het komt? Dat weet ik niet. Het heeft te maken met de sfeer, denk ik. Iedereen kent elkaar en het oogt als bruin café. Toen de import kwam, veranderde het overigens wel een beetje. In de tijd van Harry Hamstra en Chris van den Boom was het trouwens een prachtig elftal, maar met de jaren zie ik het wel minder worden. De vereniging moet het niet van het eerste elftal hebben. Annet: Jongeren gaan meer studeren en ze hebben niet veel budget. Dus kunnen ze zich ook minder permitteren. Dat scheelt ook wel.
Hoe lang Abrie nog doorgaat, weet ze niet. Het hangt waarschijnlijk in grote mate af van haar fysieke gezondheid. Abrie Schuurman: ‘Ik weet niet of de nieuwe opzet bevalt. Je moet uiteraard met andere mensen samenwerken. Ik ga zaterdagmorgen tot 13.00 uur werken en ik blijf draaien op zondag voor de jongens. Ik heb ooit gezegd: Ik stop als ik 65 jaar ben. Ik ben nu 66, maar de situatie is veranderd. Jaap is overleden en je bent er ook even uit. Annet vult aan: ‘Naar de kantine hebben ze bij Veensche Boys nooit om hoeven kijken. Zelfs in de periode dat papa in het ziekenhuis lag, was ik degene die alles opving. Ik denk dat het bestuur ook niet helemaal zag wat we hebben gedaan in het belang van de vereniging. Overal haalden we de voordeligste spullen vandaan. En dat haalde mijn moeder altijd op met haar brommertje.
Nog net iets ouder dan Abrie zijn de bruine stoelen in de kantine. Oude meuk, inderdaad, maar het is volgens Abrie wel altijd stevig materiaal geweest. ‘Al dat moderne spul van tegenwoordig is niets meer.’ Toch zal het moeten worden vervangen. ‘De nieuwe kantine is prachtig, maar de warme sfeer van de oude kantine krijg je nooit meer terug.’ Als de kantine dan toch wordt gesloopt, dan zal men nog wel iets aanmoeten met een groot schilderij van Rob Rietdijk, die pontificaal tussen de prijzenkasten van Veensche Boys staat. De oud-speler van Veensche Boys heeft aan het doek 600 uur gewerkt. Het is ooit geschonken aan Veensche Boys, maar als de kantine wordt gesloopt, of het schilderij krijgt geen plek in de nieuwe kantine, dan moet het terug. Dat is notarieel beschreven.’
















